zondag, november 11, 2007

Phalloceros caudimaculatus reticulatus

Een oude bekende met een lange naam,
Phalloceros caudimaculatus reticula­tus (EIGENMANN, 1907).




Phalloceros caudimaculatus reticulatus.

Levendbarende tandkarpers worden vanaf het einde van de vorige eeuw als aquarium­vissen gehouden. De eerste soort die in 1889 werd ingevoerd, was Phalloce­ros caudima­culatus. Deze soort is de enige soort uit het geslacht Phalloce­ros en heeft als belangrijkste kenmerk een zwarte punt op de zijkant van het lichaam. Deze vlek bevindt zich op de achterste helft van het lichaam, dit in tegenstelling tot de bekende oogvlek zoals die bij sommige andere soorten levendbarende tandkarpers (bijvoorbeeld bij de oogvlektandkar­per (Poecilia vivipa­ra) en de gup) aanwezig is. Verder zijn er niet veel duide­lijke in het oog springen­de ken­merken zicht­baar op het licht­brui­ne li­chaam. Be­langrijkste punt voor de popula­ri­teit van dit slanke visje in het begin van deze eeuw was dan ook het feit dat de vissen levendba­rend zijn. Deze bijzondere ei­gen­schap zorgde er voor dat er aanvanke­lijk grote bedra­gen voor deze vissen werden be­taald.


Foto: Man Phalloceros caudimaculatus reticulatus.
De zwartgevlekte vorm van Phalloceros caudima­cu­latus, Phalloceros caudimacula­tus reticula­tus (reti­culatus= netvormig, ver­wijst naar de vorm van de schub­ben), werd in 1905 ingevoerd. Het is met name deze vorm geweest die bij heeft gedragen aan de grote populariteit van de levendbarende tandkar­pers aan het begin van deze eeuw. Zowel de mannetjes als de vrouw­tjes van deze soort zijn gevlekt. De tekening is bij elk visje weer verschillend. De mannetjes hebben over het algemeen meer donkere vlekken dan de vrouwtjes. De vrouw­tjes kunnen tot ongeveer 5,5 cm. groot worden. De mannetjes blijven ongeveer 2 cm. kleiner.



Foto:Koppel Phalloceros caudimaculatus reticulatus auratus.
Naast de twee hier al genoemde vormen bestaat er nog een laatste vorm die naast zwarte ook nog gouden vlekken op het lichaam heeft. De naam van deze vorm is nog langer, namelijk Phalloceros caudimaculatus reticulatus auratus (auratus=goud, goudgeel). Deze vorm schijnt gevoeliger te zijn dan de twee hier al genoemde. Zelf heb ik geen ervaring met deze 'gouden' variëteit. Overigens zijn de drie vormen onderling eenvoudig te kruisen. Om een zuivere stam te houden moeten de variëteiten apart worden gehouden. Veel van de op dit moment gehouden stammen zijn bastaarden van de drie vormen. Hierdoor gebeurt het vaak dat uit een paring van zwart gevlekte ouders ook jongen met gouden vlekken worden geboren. Door selectief met deze jongen verder te kweken kan er weer een goudkleurige stam worden opgebouwd.


Koppel: Phallorceros Caudimaculatis reticulatus auratus.

De zwarte vlektekening zoals die bij Phalloceros caudimaculatus reticu­latus zichtbaar is, lijkt veel op de tekening van de mannetjes van sommige vormen van Gambusia holbrooki. In eerste instantie kunnen de soorten makkelijk door elkaar worden gehaald. Een groot verschil is echter het feit dat de vrouwtjes van Gambusia holbrooki nooit zwart gevlekt zijn. Ook hebben de Gambusia's kleine zwarte puntjes in de vinnen, die bij Phalloce­ros ontbreken. Als belangrijke verschilpunt kan verder nog de punt van het gonopodium (= het mannelijke geslachtsorgaan bij levendba­rende tandkarpers) worden genoemd. Deze gonopodiumpunt is bij de verschil­lende geslachten van de levendbarende tandkarpers anders en wordt vaak gebruikt bij het determi­neren van soorten. De bijgevoeg­de figuur laat de verschillen duidelijk zien. Met name de naar beneden gerichte punt is bij Phalloceros met het blote oog goed waarneembaar. De geslachtsnaam Phalloceros (=geweivormig geslachtsorgaan) verwijst naar dit kenmerkende gonopodium.



2
Gonopodium Phal­loceros
(tek. uit Mey­er)


3
Gonopodium Gam­busia
(tek. uit Mey­er)

Niet alleen qua uiterlijk zijn er dui­de­lijke verschil­len zicht­baar tussen Phal­lo­ce­ros caudima­cula­tus reticu­latus en Gam­bu­sia holbrooki. Is laatstge­noemde soort net als vele Gam­busi­a's nogal eens agres­sief, de vissen uit het geslacht Phalloce­ros zijn allemaal erg rustig en ik heb nooit waar kunnen nemen dat de dieren agressief naar andere vissen toe wa­ren.


Phallorceros caudimaculatus reticulatus.

Het rustige gedrag zorgt er voor dat het bij de kweek niet noodzakelijk is om de jongen en de ouders te scheiden. Zelf houd ik deze soort in een klein aquarium van 40x30x30 cm., waarin een grote dot javamos aanwezig is. Met grote regelmaat zie ik jongen zwemmen. De pasgeboren vissen houden zich in eerste instantie onder en in het mos schuil. Na ongeveer twee weken zwemmen ze tussen de grotere vissen. De vlektekening ontstaat pas op latere leeftijd. De enige tekening die de jongen bij hun geboorte hebben is de zwarte vlek zoals die ook bij Phalloceros caudimaculatus zichtbaar is. De jongen van beide variëteiten zijn dan ook niet uit elkaar te houden. Later komen er enkele streepjes in de rug- en aarsvin bij. Na ongeveer 6 weken zijn de eerste zwarte vlekken op het lichaam zichtbaar. De bij de geboorte aanwezige vlek is daarna niet meer duidelijk aanwezig. Ook de rug-, aars- en staartvin kunnen een vlektekening vertonen.

Het voeren van de vissen is geen probleem. Wel lijken de dieren een voorkeur te hebben voor dierlijke kost. Dit hoeft niet te bewegen. Diepge­vroren muggelarven etc. zijn een goed alternatief voor levend voer. Ook droogvoer wordt gegeten.

6
Nannostomus beckfordi
(tek. Chr. Visser)
De soort is oorspronkelijk afkomstig uit zuidoost Brazilië en Uruguay. Tegenwoordig wordt de soort ook op sommige plaatsen in Afrika en Ausralië aangetroffen. Hier is de soort waarschijnlijk door het toedoen van aquaria­nen terecht gekomen. In het oorspronke­lijke verspreidingsgebied komen ze soms samen met Hyphessobrycon piabinhas en Nannostomus beckfordi in kleine meertjes voor. Vol­gens Meyer komt er af en toe zeewater in deze meer­tjes terecht, waar­door er soms sprake is van enigs­zins brak water.
De temperatuur in dit gebied daalt af en toe beneden de 20°C. Phalloceros caudimaculatus reticulatus kan dan ook goed in een onver­warmd huiskamer­aquarium worden gehouden, mits de temperatuur niet voor lange tijd beneden de 15°C zakt. Een langdurige periode met een temperatuur hoger dan 25°C wordt over het algemeen slecht verdra­gen. De tole­rantie voor lagere temperaturen droeg er mede toe bij dat deze soort aan het begin van deze eeuw, toen het verwarmen van aqua­ria nog een groot probleem was, erg populair werd. 's Zomers is deze soort prima in de tuinvijver te houden. A. Stolk noemt Phallo­ceros als een soort waarbij de hoogte van de temperatuur van invloed is op de geslachts­verdeling. Helaas gaat hij hier niet verder op in. Door het ontbreken van een duidelijke literatuurverwijzing in zijn onnavolgbare boekje, is het helaas voor mij niet mogelijk om hier meer informatie over te geven. Zelf heb ik een en ander niet nauwkeurig genoeg bijgehouden om uitspraken te doen over de invloed van de temperatuur op de geslachtsverdeling. Bij mij werden over het geheel genomen evenveel mannetjes als vrouwtjes geboren.


Phallorceros caudimaculatus reticulatus auratus.

De vissen gedragen zich rustig. Het zijn geen uitgesproken zwemmers die constant door het aquarium heen en weer schieten. Vaak hangen de dieren rustig tussen de planten. Gezien dit enigszins statische gedrag is een ruime uitzwemmer voor deze soort niet no­odzakelijk. Een kleiner aquarium is dan ook geschikt voor deze vissen.


Foto:Man Phallorceros caudimaculatus reticulatus auratus.

Concluderend kan worden gesteld dat deze oude bekende uit de aquarium­hobby nog steeds een aantrekkelijke aquariumvis is, die meer aandacht verdient dan hij op dit moment krijgt. Zeker de toch bijna minimale eisen die worden gesteld, maken dat Phalloceros caudimaculatus reticulatus voor iedereen goed te houden is.
Overigens zijn er veel soorten vissen prima in een aquarium op huiskamer­tem­peratuur te houden. Vele van deze soorten waren in de begindagen van het aquariumhouden erg populair, maar zijn later door feller gekleurde soorten verdrongen. Helaas zijn er tegen­woordig weinig mensen die nog een aquarium op deze eenvoudige manier houden.


Foto:Vrouw Phallorceros caudimacultatus reticulatus.

Literatuur:
G. Gärtner: Zahnkarpfen
M. Meyer, L. Wischnath, W. Foerster: Lebendgebärende Zierfische
H. Stallknecht: Lebendgebärende Zahnkarpfen
A. Stolk: van vis tot vis (communicatie in de vissenwereld)
G. Meffe e.a.: Ecology & evolution of livebearing fishes.
Kees de Jong
[1] Zeg nooit nooit. Er zijn enkele gevallen bekend waarbij de vrouwtjes van Gambusia holbrooki gevlekt zijn. Dit komt echter zo weinig voor dat 'nooit' hier de situatie het beste weergeeft.


Tekst :Kees de Jong.
Foto`s :Leo van der Meer.

donderdag, november 01, 2007

Xiphophorus clemenciae

Een fraaie kleine zwaarddrager, Xiphophorus clemenciae Alvarez, 1959


Het mannetje van X.clemenciae.
Zwaarddragers zijn al een lange tijd populaire aquariumvissen. Samen met de net zo bekende platy’s behoren ze tot het geslacht Xiphophorus. De zwaarddragers worden onderverdeeld in twee groepen: de noordelijke en de zuidelijke zwaarddragers. De noordelijke zwaarddragers zijn afkomstig uit het Rio Panuco-stroomgebied in Mexico en zijn kleiner dan de zuidelijke groep. Tot de noordelijke groep behoren onder andere X. montezumae en X. cortezi. De bekendste vertegenwoordiger van de zuidelijke groep is de groene zwaarddrager X. helleri. Van deze soort kunnen de vrouwtjes een lengte van 12 centimeter bereiken. Dit formaat en de wilde balts van de mannetjes, waarbij de razendsnel voor- en achteruit zwemmen, maakt ze eigenlijk niet geschikt voor een aquarium met een lengte kleiner dan 125 centimeter. Voor aquarianen met een aquarium vanaf 80 centimeter is de kleiner blijvende X. clemenciae een fraai alternatief voor de groene zwaarddrager.


Foto links :X.montezumae.
Foto rechts: X.cortezi
X. clemenciae is in 1959 door Alvarez beschreven. De wetenschappelijke naam heeft hij ter ere van zijn vrouw Clemencia Alverez aan deze soort gegeven. Hij gaf deze soort de algemene naam ‘gele zwaarddrager’. Net als Rosen (1960) kan ik deze naam niet helemaal plaatsen. Geel is niet de kleur die het eerst in gedachten komt wanneer je deze zwaarddrager bekijkt. Met name de volgroeide mannetjes hebben een fraaie blauwe glans op het lichaam, de gele lichaamskleur waar Alvarez het over heeft, is bij de latere populaties niet aangetroffen. Op het lichaam van zowel de mannetjes als de vrouwtjes bevinden zich twee tot vier uit rode punten bestaande strepen. In de staartwortel bevinden zich enkele rode stippen. De lichaamsvorm is iets hoger dan die van de groene zwaarddrager. Onder aan het lichaam bevindt zich een zwarte streep die bij het mannetje opgaat in de zwarte band om het gele zwaard onderaan de staartvin. De vrouwtjes hebben aan de buikzijde een donkere drachtigheidsvlek. Daarnaast is, zoals bij alle levendbarende tandkarpers, de aarsvin van het vrouwtje rond en heeft het mannetje een gonopodium. De mannetjes bereiken een lengte van ongeveer 5 cm, de vrouwtjes kunnen ongeveer 6 centimeter lang worden.
Hoewel men oorspronkelijk dacht dat X. clemenciae een erg klein verspreidingsgebied had en de soort op basis hiervan als een bedreigde soort werd beschouwd, constateerde Kallman (1991) dat dit gebied veel groter is. De soort wordt aangetroffen in de bovenloop van de Rio Sarabia en stroompjes die uitkomen in de Rio Coatzacoalcas.


Foto links en rechts,Puente Chinolouiz Mexico.
Toen ik in 1996 samen met André Schonewille, Tim Bollick en Liekele Sijstermans in de buurt van de buurt van het stroomgebied van de Rio Coatzcoalcos was, waren we in staat om X. clemenciae in zijn natuurlijke biotoop te bekijken. Met behulp van de beschrijving van Pat en Derek Lambert in hun interessante boek ‘Platies and Swordtails’ (1995) waren we na enig zoekwerk in staat om een klein stroompje te vinden. Volgens de beschrijving van Pat en Derek zou deze plek Puente Chinoluiz moeten zijn. We zagen geen bord dat dit bevestigde. Aan de hand van mijn dia’s verklaarde Derek Lambert later dat de door ons bezochte plaats inderdaad Puente Chinoluiz is. Op het moment dat wij de plek bezochten, waren er enige problemen in de omgeving. Enkele zwaarbewapende politieagenten wezen ons er op dat verderop achter de heuvels werd geschoten en dat het niet verstandig was om verder te gaan. Met deze informatie in ons achterhoofd besloten we om ons bezoek aan het stroompje niet onnodig lang te maken. Vanaf de brug liepen we ongeveer twintig met naar beneden waar we het water zagen stromen. Het water bleek helder te zijn en de zandbodem was duidelijk zichtbaar. Hier en daar lagen grote stenen in het water. Waterplanten waren niet aanwezig, wel hing het gras langs de oevers in het water. De omgeving was begroeid met bomen, waardoor het grootste deel van het stroompje niet aan direct zonlicht werd blootgesteld. De breedte was maximaal 1 ½ meter, de diepte liep op tot ongeveer 50 cm.


Puente Chinolouiz Mexico.
Tim en ik begonnen meteen vol enthousiasme het sleepnet door het water te halen. In de buurt van de oever haalden we het net onder het overhangende gras omhoog. Hoewel er geen grote hoeveelheid vis in het net zat, was het aantal soorten indrukwekkend. Zeker voor liefhebbers van levendbarende tandkarpers een bijzonder fraaie vangst. In het net waren enkele fraaie Priapella intermedia’s aan hun blauwe ogen te herkennen, een fors grijskleurig vrouwtje van Poeciliopsis gracilis met onregelmatige zwarte vlekken op haar lichaam viel ook meteen op. Verder waren er duidelijk twee zwaarddragers te aanwezig. Door zijn rode strepen en blauwe lichaamsglans onderscheidde X. clemenciae zich duidelijk van X. helleri. Deze groene zwaarddrager komt ook op deze plaats voor, maar is door de lichtbruine lichaamskleur en de donkere lengte streep op het lichaam duidelijk als andere soort te herkennen. Na nog enkele pogingen vingen we ook nog de overal in dat deel van Mexico voorkomende Pseudoxiphophorus bimaculatus, een molly Poecilia cf sphenops en cichliden. In de buurt van enkele stenen zagen we nog een zoetwaterkrabbetje lopen.


Foto Links :Priapella intermediar.
Foto rechts:Poeciliopsis gracilis.
Na ongeveer drie kwartier vangen hadden we een redelijke hoeveelheid van X. clemenciae gevangen. We konden geen grote scholen van de soort in dit biotoop vangen. Af en toe hadden we een of twee exemplaren in ons net. Naast volwassen exemplaren kwamen we ook veel halfwas dieren tegen. Priapella intermedia leeft veel duidelijker in een school. Of je vangt een groot aantal dieren met een haal van het net of geen enkele.
Van zowel Priapella intermedia als X. clemenciae namen we exemplaren mee. Hierbij moet je natuurlijk altijd een keus maken. Hoeveel vissen en in welke geslachtsverhouding neem je deze mee om thuis een goed kweekgroep te hebben? Het is bekend dat halfwas dieren beter kunnen worden vervoerd als geheel uitgegroeide exemplaren. De nog niet uitgegroeide vissen kunnen vervolgens in het aquarium verder worden opgekweekt, zodat een goede kweekgroep ontstaat. Een risico dat men hierbij loopt is dat er sprake zou kunnen zijn van een ongelukkig geslachtsverhouding als de vissen geslachtsrijp worden. Met name een grote hoeveelheid mannen en slechts enkele vrouwtjes is niet gunstig. Eén mannetje kan eenvoudig veel vrouwtjes bevruchten, dus daar heb je eigenlijk niet veel van nodig.
Om met zo weinig mogelijk vissen een zo groot mogelijke genetische pool te krijgen, kan men van levendbarende tandkarpers het best jonge geslachtsrijpe vrouwtjes meenemen. Deze zijn practisch altijd bevrucht en aangezien levendbarende tandkarpers voorraadbevruchting hebben en een vrouwtje wel acht maal jongen van één bevruchting kan krijgen, heeft men meteen een grote hoeveelheid genetisch materiaal. Zeker als de vrouwtjes apart worden gehouden en met behulp van strakke schema’s verder wordt gekweekt, bieden vier vrouwtjes reeds veel mogelijkheden. Het is natuurlijk altijd leuk om meteen enkele grote mannen in het aquarium te hebben en daarom is de verleiding groot om enkele volwassen mannetjes mee te nemen. Aangezien ook een fanatiek cichlidenliefhebber als Tim voor deze fraaie vis door de knieën ging, namen we in totaal twintig exemplaren van verschillend formaat mee.
Alle door ons gevangen vissen werden per stuk in een klein plastic zakje verpakt. Om de wisseling van watersamenstelling voor de vissen zo klein mogelijk te houden, namen we zoveel mogelijk water uit het oorspronkelijk biotoop mee. Dit water gebruikten we de eerste drie dagen na de vangst als vers water. Daarna werd het water nog slechts een enkele maal ververst. Wel kregen de vissen elke dag verse lucht.


Foto boven: X.clemenciae.
Ook alle volwassen vissen doorstonden de reis goed, slechts één mannetje overleefde de reis niet en na twee weken konden de vissen in een Nederlands aquarium worden gedaan. In een aquarium van een meter lengte waarin grote bossen Javamos aanwezig waren, voelde de soort zich als snel prima op haar gemak. De grootste vrouwtjes wierpen al snel jongen die zich de eerste tijd na de geboorte bij de bodem in het mos ophielden. Waarschijnlijk zullen er wel wat jongen door de grotere vissen zijn opgegeten, maar wanneer er voldoende schuilplaatsen in het aquarium aanwezig zijn, blijven er altijd voldoende over. Er is dan ook geen reden om vrouwtjes apart te zetten om zo meer jongen over te houden. Ook in een groep gehouden, blijven er altijd voldoende over. Per worp worden er maximaal zo’n 30 jongen geboren. Bij een gevarieerde voedering groeien de jongen zonder problemen op en na ongeveer vier maanden zijn de vrouwtjes geslachtsrijp. Bij de mannetjes duurt het vaak langer voordat ze helemaal uitgegroeid zijn en het zwaard zich volledig heeft ontwikkeld.
Wat het houden en kweken van de soort betreft bestaan er verschillen in ervaringen. Sommige populaties schijnen nauwelijks tot voortplanting te bewegen (Heller & Rehbeck, 1996), terwijl met name de stam van Puente Chinoluiz nauwelijks problemen geeft. Het enige waar de door mij gehouden vissen last van hebben, is een langere periode met een temperatuur van boven de 25°C. Enkele jaren geleden heb ik tijdens een warme zomer op deze wijze veel van deze zwaarddrager verloren. Vooral de volwassen dieren konden er erg slecht tegen en stierven. Gelukkig bleven er toen nog voldoende jongen over om een de kweekgroep in stand te houden. Om dergelijke problemen met mijn zelfgevangen groep zoveel mogelijk te voorkomen, houdt ik de vissen ‘s zomers zo koel mogelijk. Op een wekelijkse verversing van een deel van het water reageren de vissen duidelijk positief. Na het verversen van het water zijn de mannetjes duidelijk actiever met baltsen en het achter de andere mannen aan jagen. Tijdens de balts zwemt het mannetje met gespreide vinnen voor het vrouwtje van zijn gading. Als het vrouwtje na dit vertoon op haar plaats blijft, zal het proberen met haar te paren.


Xiphophorus clemenciae.
Voor liefhebbers van zwaarddragers met een kleiner aquarium is de uit Puente Chinoluiz afkomstige populatie van X. clemenciae een goed houdbare vis. Wat precies het probleem is bij sommige populaties is op dit moment nog niet duidelijk. Wanneer de temperatuur van water rond de 22°C ligt en er regelmatig water wordt ververst, zal de soort eenvoudig te houden en te kweken blijken. Het samenhouden met andere vissen geeft geen problemen. Wel is het raadzaam om geen andere soorten uit het genus Xiphophorus in dezelfde bak te plaatsen. De kans op hybriden ontstaan is dan zeker aanwezig.
Eigenlijk is het niet nodig om deze vis verder aan te prijzen, de fraaie kleurenfoto spreekt voor zich.



Literatuur:
Lambert, D. & Lambert, P. (1995) Platies and Swordtails Blandford ISBN 0 71372368 8
Kalman, K. D. (1991) Xiphophorus clemenciae is not an endangered species Livebearers nr 116 blz. 5-8
Heller, K. & Rehbeck, T. (1996) Zuchtversuch mit Xiphophorus clemenciae ‘Rio Sarabia, Oaxaca, Mexiko’ DGLZ-Rundschau nr 2 blz. 35-36
Rosen, D.E. (1960) Middle-American Poeciliid fishes of the genus Xiphophorus, Bulletin of the Florida State Museum Vol 5 blz. 58-243
.


Geschreven door : Kees de Jong.
Foto`s vissen : Leo van der Meer.
Foto`s vanglokatie :Kees de Jong.


Ten slotte enkele tips:



Sinds twee weken is er een zeer gezellig en informatieve aquarium forum op internet, ook hier help ik aan mee, dus kom gerust eens kijken en druk even op de volgende snel koppeling.
http://www.aquafora.nl/


Uiteraard is het zeer raadzaam om eens te Google, en te kijken naar de Endler site`.

Verder sluit u zich eens aan bij Poecilia.nl, iedereen is welkom hier kunt u aan deze zeer mooie en zeldzame levendbarende tandkarpers komen.
In 2008 bestaat werkgroep Poecilia Nederland 25 jaar, dit mag u niet over slaan dus wordt lid.
Wij zouden het van werkgroep levendbarende tandkarpers prachtig vinden dat in 2008 deze werkgroep over de 100 leden zou kunnen komen.
Maak u lid dan komt u nog veel meer te weten over dit soort zeldzame en mooie levendbarende tandkarpers.
Groet Leo van der Meer bestuurslid werkgroep levendbarende tandkarpers.

Google:Poecilia Nederland.

maandag, oktober 15, 2007

Scolichthys iota

Scolichthys iota Rosen, 1967


Foto boven: Man Scolichthys iota.
Synoniemen:
Geen


Foto boven twee jonge vrouwen S.iota.
Nederlands naam:
Niet aanwezig.


Foto boven: twee volwassen mannen.
Beschrijving:
D.E. Rosen (1967): New Poeciliid fishes from Guatemala, with comments on the origins of some South and Central American forms. American Museum Novitates (2303): 1-15

Naamgeving:
Scolichthys – afgeleid van het Griekse ‘skolos’ (doorn of stekel) en ‘ichthys’ (vis). Dit verwijst naar de kenmerkende gonopodiumpunt.
Iota – De Griekse letter ‘i’, de kleinste letter van het alfabet. Dit verwijst naar het feit dat het een zeer kleine soort is.


Foto boven: Scolichthys iota.
Foto beneden: zijn iets grotere familie Scolichthys Greenwayi.

Verspreiding:
Deze levendbarende tandkarper komt alleen voor in de Río Chajmaic, onderdeel van het Rio Usumacinta stroomgebied in de staat Alta Verapaz in Guatemala, en de zijriviertjes hiervan en dan vooral in de Río Semococh.. Door een bergrug wordt dit deel van de rivier van de hoofdstroom afgesneden, waardoor er een geïsoleerd gebied is ontstaan.
Klaus Schneider heeft dit gebied de afgelopen jaren vaak bezocht en op al deze bezoeken gegevens verzameld.
Naast S. iota komt er nog een aantal soorten endemisch voor. De levendbarende tandkarpers Xiphophorus signum Rosen & Kallman, 1969 en Pseudoxiphophorus diremptus (Rosen, 1979) en een tot de karperzalmen behorende Bramocharax-soort. Verder nog onder andere: de killi Rivulus tenuis, de karperzalm Astyanax aeneus, een grondel uit het genus Leptophylipnus, de meerval Rhamdia guatemalensis en de cichliden Chuco intermedius en Parachromis friedrichsthalii. Naast deze vissen ook nog garnalen uit het genus Macrobrachium en kreeften uit het genus Procambarus.
De waterplanten in deze stroom waren Ludwigia cf repens, Pontederia rotundifolia, Foninalis en hoornblad.
S. iota leeft hier tussen het riet en de planten aan de oevers, waar de stroming minder sterk is. Hier wordt dit visje echter niet altijd in grote hoeveelheden aangetroffen. Tijdens zijn bezoeken vanaf 2001 heeft Klaus de soort niet altijd kunnen verzamelen en ze komen niet altijd in grote hoeveelheden voor.
Vanaf 2004 zijn er ook Afrikaanse tilapia’s (Oreochromis spec.) gevangen en sindsdien lijkt het aantal S. iota, P. diremptus en X. signum te zijn afgenomen. Of hier sprake is van een oorzakelijk verband moet nog worden vastgesteld.
De watertemperatuur is tussen de 22 en 25ºC. De overige waarden die zijn gemeten: pH 7,5, de KH 8,5º, de GH 11º en de elektrische geleidbaarheid rond de 280 μS.


Uiterlijk:
Op de bovenkant van het slanke lichaam bevindt zich een nettekening en de buikzijde is licht van kleur. Soms neigt deze naar goudkleurig. De borstvinnen van de mannetjes hebben soms een lichtblauwe rand. Het zijn geen spectaculair gekleurde visjes en de enige kenmerken zijn zwart. Midden op het lichaam is een donkere vlek die ook bij de pasgeboren jongen aanwezig is. Afhankelijk van de stemming van de vissen zijn er nog vier tot zeven zwarte vlekken op de zijkant van het lichaam zichtbaar. Het komt echter regelmatig voor dat deze tekening niet aanwezig is en dat alleen de vlek op het midden van het lichaam zichtbaar is. Overigens is deze vlek een kenmerk dat S. iota met zijn grotere verwant Scolichthys greenwayi gemeen heeft. Boven de aarsvin van de vrouwtjes is een zwart vlek aanwezig. In de rugvin bevinden zicht twee zwarte bandjes. Het opvallend gevormde gonopodium van de mannetjes is lang en komt bijna tot aan de staartwortel.


Grootte:
In zijn beschrijving geeft Rosen (1967) aan dat het om een zeer kleine soort gaat. Als lengte voor de mannetjes geeft hij 15 mm en met 22 mm zijn ook de vrouwtjes klein te noemen. In een eerder door Kees de Jong geschreven artikel over de kleinste vissen, zou deze soort dan ook in de top tien eindigen. Nu ik de soort bijna een jaar in het aquarium heb gehouden, valt het me op dat sommige exemplaren beduidend groter worden. Een mannetje van bijna 4 cm en een vrouwtje van 5 cm zijn niet uitzonderlijk. Mogelijk heeft dit te maken met de grotere hoeveelheid voedsel die de vissen in het aquarium krijgen. De meeste mannetjes zijn beduidend kleiner en blijven in de buurt van de door Rosen aangegeven grootte.


Verzorging en kweek:
Het heeft een tijd geduurd voordat deze soort in de hobby beschikbaar kwam. Eerdere bezoeken aan het gebied hadden al wel de fraaie kommazwaarddrager (X. signum) voor de hobby opgeleverd, maar de minder opvallende S. iota bleef jarenlang alleen op papier bekend. Door Klaus Schneider meegenomen exemplaren waren wel eens tentoongesteld op bijeenkomsten in Duitsland, maar werden slechts door enkele liefhebbers gehouden. In mei 2005 kreeg Kees de Jong in Wenen een aantal exemplaren van dit visje van Stephan Karlick en deze vormden de basis voor deze soort in Nederland. Tot op heden lijkt de soort vrij eenvoudig te houden. De kweek geeft ook geen problemen, maar de slanke vrouwtjes zijn niet erg vruchtbaar. Zeker kleinere vrouwtjes werpen slechts 2 tot 3 jongen per worp. Deze houden zich bovenin het aquarium op en er dienen wel schuilplaatsen voor de kleine jongen aanwezig te zijn. Het is niet nodig om de jongen van de volwassen dieren te scheiden en de soort is dan ook prima in een groep te houden en te kweken. Als er eenmaal een groepje van deze vissen in het aquarium aanwezig gaat, de kweek redelijk snel en zullen er in korte tijd veel van deze vissen in het aquarium zwemmen.
Net als de meeste soorten levendbarende tandkarpers met een lang gonopodium, hebben de mannetjes van S. iota geen balts. Het lange gonopodium zorgt er voor dat ze minder afhankelijk zijn van de medewerking van de bevruchting. Bij een kort gonopodium is het voor de mannetjes noodzakelijk om vlak bij het vrouwtje te komen om haar te bevruchten, met een langer gonopodium hoeft dit niet. Het mannetjes is in staat de punt van het gonopodium te zien en op die manier het overbrengen van sperma uit te voeren. De mannetjes maken een onvermoeibare indruk en zijn de hele dag bezig met pogingen om vrouwtjes te bevruchten. Hierbij benaderen ze het vrouwtje van onderen.
Gezien het feit dat de vissen zich in de natuur tussen de planten ophouden en ook gezien hun geringe grootte, is het niet nodig om voor deze visjes een groot aquarium te reserveren. Een lengte van 40 cm is voldoende.
Al het voer wordt zonder problemen gegeten, maar gezien de geringe afmetingen van de visjes moet dit niet te groot zijn. Net als bij alle andere soorten is variatie wel van belang.
Hoewel de temperatuur in het natuurlijke verspreidingsgebied tussen de 22 en de 25ºC schommelt, is S. iota goed bestand tegen lagere temperaturen. Een temperatuur van 16ºC is ook over een langere periode geen probleem. De vissen worden wel minder actief en de kweek stopt. Als de temperatuur weer in de buurt van de 20ºC komt, worden er weer jongen geboren. Tijdens de rustperiode eten de visjes niet veel en het is van belang om er voor te zorgen dat er geen grote hoeveelheden voer op de bodem terecht komen. De waterkwaliteit kan dan snel achteruit gaan. Eenmaal per week een groot deel van het water verversen komt de vitaliteit van de vissen ten goede.


Opmerkingen:
De beide soorten uit het genus Scolichthys zijn geïsoleerde soorten die slechts een klein verspreidingsgebied in Guatemala hebben. Vanuit dit gebied zijn ze niet in staat gebleken zich verder te verspreiden. Rosen geeft aan dat het gaat om de laatste vertegenwoordigers van een vroegere invasie van levendbarende tandkarpers uit Zuid-Amerika en ziet het als primitieve vissen. Het genus Scolichthys zou mogelijk in de tijd dat de Panamese landengte nog uit een archipel van eilanden bestond naar het noorden zijn getrokken. Later is het genus door de komst van andere Poeciliidae teruggedrongen tot een aantal geïsoleerde gebieden.
De soorten van het genus Scolichthys zijn, volgens Rosen (1967), dan ook nauwer verwant met de Zuid-Amerikaanse genera Phalloceros, Phallotorynus, Cnesterodon en Phalloptychus dan met de in Midden-Amerika voorkomende levendbarende tandkarpers.


Literatuur:
J.J. de Greef (1995): Xenodexia ctenolepis Hubbs, 1950, een enigma onder de Poeciilidae. Poecilia Nieuws (1): 11-18
K. Jakobs (1979): Klein, hübsch und selten: Scolichthys greenwayi und iota. Aquarien Magazin (7): 353-353
K. de Jong (1995): Bekend en onbekend, het genus Scolichthys. Poecilia Nieuws (5): 92-97
K. de Jong (1997): Wie is de kleinste. Poecilia Nieuws (4): 68-70
D. MacAllister (2004): Scollichthys iota. Livebearer News (7): 27-27
D.E. Rosen (1967): New Poeciliid fishes from Guatemala, with comments on the origins of some South and Central American forms. American Museum Novitates (2303): 1-15
D.E. Rosen (1979): Fishes from the uplands and intermontane basins of Guatemala: revisionary studies and comparative geography. Bulletin of the American Museum of Natural History (162): 269-375


Tekst`: Klaus Schneider & Kees de Jong.
Foto`s : Leo van der Meer.

maandag, oktober 01, 2007

Limia perugiae

Limia perugiae.

Heer en dame Limia perugiae.
Het genus Limia is afgeleid van het Spaanse woord `Limus’,dat leem betekent (soort klei). Dit verwijst naar de bodem van het biotoop waar ze leven. Limia perugiae is afkomstig van de Dominicaanse republiek, waar ook andere Limia`s vandaan komen.


Een flitsend koppeltje Limia perugiae.
In het genus Limia zitten verschillende zeer kleurrijke levendbarende tandkarpers, waaronder Limia nigrofasciata en Limia melanorgastor, die heel soms ook in aquariumzaken voorkomen. Dit genus Limia, bevat meer dan 20 verschillende soorten, waarvan er enkele in het aquarium gehouden kunnen en worden gehouden, zo ook Limia perugiae. In dit genus zijn Limia perugiae en Limia vittata de grootste van dit genus, Limia perugiae kan als hij volledig uit gegroeid is wel 10 cm groot worden. In verschillende andere landen waaronder Frankrijk, vertelt men dat Limia perugiae uit twee verschillende soorten bestaat, een grote soort die 10 cm groot kan worden, en een kleinere soort die 4 cm kleiner blijft. Kees Baardmans had er erg veel in zijn aquarium zitten, welke hij uit Frankrijk gehaald had. Nadat hij ze ruimer ging houden, en veel water ging verversen, en ze uiteraard op een goed voer zette, werden de vissen groter en werden 10 cm lang, hierdoor twijfel ik of er echt twee soorten Limia perugiae bestaan. Uiteraard ben ik geen wetenschapper dus ik houd mij dan ook op een soort Limia perugiae.

Een dominant mannetje.
Limia perugiae, kan men het beste houden in een groot aquarium, dit vanwege zijn formaat.
Men zegt dat dit soort het beste in een speciaalaquarium gehouden kan worden,(speciaal bedoel ik mee, alleen met dit soort) maar ook in een gezelschap aquarium zijn ze goed houdbaar. Kees Baardmans had ze een jaar of zeven geleden aan mij mee gegeven, maar na een tijdje was ik er op uit gekeken, ik heb ze toen aan gemeentewerken in Amsterdam gegeven, gelukkig zijn ze erg zuinig op mijn vissen geweest, zodat ik er nu op terug kan vallen.
In het aquarium van de gemeente zwommen ze samen in een gezelschapsaquarium, ook hier doen ze het erg goed, uiteraard mits je ze wel genoeg zwemruimte geeft.
Limia perugiae, is zeer vruchtbaar, ze kunnen wel tot 100 jongen in een keer werpen, ze eten hun kroost nauwelijks op, hierdoor is er in het aquarium snel een overschot.


Kijk eens naar die schitterende kleuren.
Als er eenmaal een grote school van dit soort in het aquarium zwemt, krijgt men snel enkele dominante mannen, deze ontwikkelen zich dan tot prachtige forse vissen met een fraaie iriserende glans,een donkere rugvin en een gele staart. De vrouwtjes missen de fraaie kleuren in de vinnen,maar hebben, wanneer ze geslachtrijp zijn, wel de prachtige glans op het lichaam. In de rugvin hebben ze de voor het genus Limia kenmerkende zwarte punt. De nog niet volwassen dieren zijn slanker van vorm en missen de fraaie kleuren van de volwassen vissen.
Het verschijnsel dat een dominant mannetje de fraaiste kleuren laat zien, en bovendien vaak groter is dan de andere aanwezige mannetjes (polymorphisme), kan bij veel levendbarende tandkarpers, die in schoolverband leven, worden aangetroffen. De dominante of alpha-mannetjes zijn duidelijk de baas in de school, en zijn constant bezig om de andere mannetjes te achtervolgen. Ook hebben zij het meest uitgesproken baltsgedrag, waarbij ze met gespreide vinnen voor het vrouwtje pronken. Zeker waneer men nog rekening houdt met het feit, dat de vrouwtjes een voorkeur hebben voor de grootste mannen, lijkt het in de lijn van de verwachting te liggen, dat de nakomelingen afkomstig zijn van de dominante man. Door schart et al is aan de hand van DNA-onderzoek aangetoond dat dit bij de aanwezigheid van twee mannetjes ook al het geval is. Waneer er echter meerdere mannen van verschillend formaat aanwezig zijn, bleek dat de dominante en kleinste mannetjes geen nakomelingen meer hebben.Alleen de tussenliggende mannetjes hebben nakomelingen. Overigens kunnen deze mannetjes nakomelingen in groottes krijgen, waardoor er altijd weer dominante mannetjes ontstaan. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar het artikel van C.Elbelding-Denk et al uit 1994.

Een dame Limia perugiae.
Als voeding kun je ze bijna alles geven wat eetbaar is voor aquariumvissen , zowel levend, diepvries als droogvoer. Gelukkig is er tegenwoordig erg veel in de handel verkrijgbaar, en via internet te bestellen dus thuis geleverd, wat u weer veel tijd scheelt. Uiteraard kunt u uw jongen apart opvangen, maar dit is niet nodig, dit omdat ze vele jongen werpen, waar er altijd genoeg van in leven blijven. Uiteraard is het wel raadzaam om uw voer wat kleiner te wrijven tussen duim een wijsvinger, zodat de jongen er ook van kunnen eten.

Een mannetje volledig uitgegroeid.
Door middel van stenen, kienhout en voldoende waterplanten, kunt u schuilgelegenheid maken, dit voor de wat kleinere mannetjes en de jongen, die zich dan voor de grotere of oudere dieren kunnen verschuilen. Verder raad ik wat drijfplantjes aan, waar de jongen zich lekker in thuis voelen. Zelf gebruik ik mandjes met kleine gaatjes, die ik drijvend houd,
door aan beide zijde wat kleine plankjes te bevestigen, hier kunnen wel de jongen maar niet hun ouders erin.(ik gebruik hier zelf vijverplantenbakjes voor, die in vele tuincentra`s aanwezig zijn).
Het genus broertje en zusje Limia vitatta.
Dit stuk heb ik onder andere geschreven voor mijn veel te vroeg overleden vriend Kees Baardmans, die in al de jaren dat ik hem kende, vele aquarium`s vol had met erg veel vissen. In een van deze bakken had hij ook Limia perugiae, hier zaten er echt honderden tegelijk in, en alles bleef altijd leven, terwijl ze kieuw aan kieuw in het aquarium zwommen, dit is mij nooit gelukt, om er zoveel te kweken en in leven te houden. Verder wil ik via deze weg de gemeentewerf Kwakersplein te Amsterdam danken, voor de vissen die ik mocht gebruiken. Voor de foto`s met name Arie heel erg bedankt. Dit stuk heb ik samen met stukken van Kees de Jong geschreven en hopelijk er weer iets spannends voor u van gemaakt.


Let u eens op de mooie schitterende kleuren.
Tekst Leo van der Meer.
Foto`s Leo van der Meer

dinsdag, september 11, 2007

Endlers en guppen

Endlers en guppen : het kweken van hybridendoor Karen Koomans

Al ruim 30 jaar gefascineerd door het houden en kweken van (sub)tropische vissen richt mijn aandacht zich de laatste jaren meer en meer op Poecilia - guppen!
Het subgenus Acanthophacelus kent 2 soorten: Poecilia reticulata (het alom bekende guppy) en Poecilia wingei (het Campona guppy, meer algemeen bekend als "Endler's guppy")."

Poecilia raadsels
Guppy's en endlers betoveren mij door hun enorme verscheidenheid aan kleuren, patronen en vormen. Ik geniet niet alleen van het simpelweg kijken daarnaar, ik zie elke gup ook als een raadsel dat ik graag wil ontknopen. Onder invloed van welke genen zijn die kleuren en patronen tot stand gekomen? Welke invloed hebben kleuren, vormen en patronen in het kader van evolutie? Welke combinaties vergroten de kans op veel nageslacht? Of juist de kans op een vroegtijdige dood door een predator? Hebben bepaalde genen exact dezelfde invloed op P. reticulata als op P. wingei? Welke kleuren en patronen kan ik door doelgericht te kweken combineren en welke niet? Vragen te over...!

Hoe meer ik weet van guppy genetica, hoe meer ik me realiseer hoe complex die materie is. Dat vind ik niet erg, integendeel! Het betekent dat er nog heel veel nieuws te ontdekken valt. Voor mij als persoon, maar ook voor gup genetica kenners en liefhebbers in het algemeen. Ook op het hoogste wetenschappelijke niveau is men nog lang niet uitgeleerd waar het genetica betreft! Dat is één van de dingen waarom ik het doelgericht kweken van guppen en endlers zo leuk vind: er wacht altijd een volgende puzzel, een nieuwe uitdaging.

Endler Hybriden
In dit schrijven richt ik me vooral op de kweek van hybriden: kruisingen tussen guppen en endlers. Daar heb ik me, naast het onderhouden van zuivere endlerstammen, vooral het laatste halfjaar veel mee bezig gehouden. Mijn doel daarbij is niet om dieren te kweken die voldoen aan de show-standaards. Dan zou ik mij beter bij guppen alleen kunnen houden! Mijn doelen hebben te maken met een aantal van de bovengenoemde vragen, over vererving en eventuele soort-verschillen tussen endlers en "gewone" guppen. Ik wil graag leren, begrijpen, onderzoeken... Daarnaast vind ik het leuk om dieren te kweken die anders zijn dan de algemeen bekende guppy en endler stammen. En natuurlijk is het een bonus als die dieren dan ook nog door veel mensen mooi worden gevonden.

Hybride endler stam "Hamburg"

De ontwikkeling van deze hybride stam met de naam 'Hamburg' begon met een toeval. Via via kreeg ik een paartje Cumana guppen, heel verwarrend ook wel "zwarte endler" genoemd. Het is een wildguppy uit Venezuela, geen endler dus maar een "gewone" gup, Poecilia reticulata. Helaas stierf het vrouwtje bij de geboorte van haar eerste jongen. Ik gaf het mannetje mee aan een geïnteresseerde kennis en zette de paar jonkies in een apart aquarium, samen met wat jonge Yellow Top Sword endlers. Ik had er vantevoren niet zó diep over nagedacht, maar verwachtte dat de hybride jongen er uit zouden zien als ofwel een Yellow Top Sword endler, ofwel een Cumana guppy. Afhankelijk van de vader van het jong. Dit vanuit het idee dat de vrouwtjes weinig tot niets zichtbaars zouden vererven. Toch wilde ik zien of dat wel klopte, om die reden zette ik jongen van de 2 soorten samen.Tot mijn verrassing waren de F1 jongen anders! De meeste jongen hadden kenmerken van zowel de Cumana gup als de Yellow Top Sword. Hierdoor kreeg mijn interesse om me te verdiepen in het kweken van endler x guppy hybriden een flinke impuls.


plaatje: cumana guppy (foto leo)

De 'Hamburgers' zijn inmiddels ontwikkeld tot een stam die voor circa 95% zuiver vererft op de voor de stam karakteristieke kenmerken.
Op basis van de ontwikkeling en kenmerken van deze hybrides vermoed ik dat de vrouwtjes van mijn Yellow Top Sword stam de volgende kleurkenmerken kunnen vererven: oranje aftekening direct achter de ogen, een verticale zwarte streep midden-onder op het lijf en fel-oranje aftekeningen op het achterlijf (onder). Ik schrijf hier bewust kúnnen vererven, want of deze kenmerken daadwerkelijk zichtbaar zijn bij het nageslacht hangt ook af van de genen die er tegenover staan. Het kan immers zo zijn dat genen afkomstig van het mannetje óók kleur definieren voor eenzelfde plekje op het lijf (bijvoorbeeld direct achter de ogen).

De meeste 'Hamburg' mannetjes zien er nu uit zoals de bovenste op dit plaatje. De pijlen wijzen op de kenmerken die vermoedelijk via de Yellow Top Sword vrouwtjes zijn vererfd:


Enkele andere voorbeelden van hybride Poecilia lijnen in ontwikkeling:


endler-hybride Dubbelzwaard


endler-hybride grondkleur pink


endler-hybride grondkleur creme (blond plus goud)


endler-hybride grondkleur goud



endler-hybride Lazuli (F1)

Soort specifiek
Een aantal van mijn waarnemingen onderschrijven de conclusie van Poeser, Kempkes en Isbrücker, dat het "endler guppy" geen "gewoon" guppy is maar een aparte soort. Ik zie vaak dat een gupman grote voorkeur heeft voor een gupvrouw, en een endlerman voor een endlervrouw. Hetzelfde geldt voor de vrouwtjes, ook zij hebben voorkeur voor een soortgenoot.

Als de dieren niet kúnnen kiezen dan accepteren ze de vreemde soort meestal wel en zo komen er dus hybriden. Ik schrijf 'meestal' omdat ik ook heb meegemaakt dat endlermannetjes een showgupvrouw absoluut niet leken te herkennen als mogelijke partner en zelfs bang waren voor haar! Ik heb toen veel verschillende endlermannetjes geprobeerd bij dat vrouwtje, maar geen van hen heeft haar bevrucht. Elk van die mannetjes zag haar als mogelijk bedreigend, zeker niet als eventuele partner.

In een ander geval wilde een gupman pas endlervrouwtjes accepteren nadat ik de gupvrouwtjes die in het aquarium naast hem zaten had verhuisd. Zolang die gupvrouwtjes in beeld waren baltste dit mannetje alleen naar de buurvrouwen. Hij negeerde de endlervrouwtjes bij hem in het aquarium volkomen. Guppen kennen en herkennen elkaar. Deze gupman was opgegroeid bij de vrouwtjes die nu zijn buren waren...

Toen ik 5 volwassen endlervrouwen bij DZ Störzbach guppen zette in de laatste week van april, duurde het tot begin juli tot de eerste hybrides geboren werden. De meeste endlervrouwtjes kregen nog drie Yellow Top Sword nesten (door opgeslagen sperma te gebruiken), één endlervrouwtje hield het bij twee endlernesten voordat ze 'overschakelde' op het sperma van de guppen. En één van deze vijf dames heeft haar laatste (endler)jongen gekregen midden juli en sindsdien helemaal geen jongen meer. Ze lijkt nu ook niet drachtig te zijn. Er kan een gezondheids- en/of leeftijdsreden voor zijn, maar ik denk dat zij liever géén jongen heeft, dan jongen van die rare dubbelzwaard-wezens...

Voor ons mensen zijn de verschillen tussen gup- en endlervrouw alleen uiterlijk. Bij een wildtype gupvrouw is het verschil voor ons soms zelfs niet of heel moeilijk te zien; de verschillen met een showguppy vrouw zijn meestal wel heel duidelijk. De dieren zelf gebruiken naast uiterlijk ook andere zaken om een soortgenoot/mogelijke partner te herkennen. Geurkenmerken geproduceerd onder invloed van hormonen, bijvoorbeeld.

Ook zijn er aanwijzingen dat sommige genen zich bij guppen anders manifesteren dan bij endlers (endler hybriden). Een halfzwart gen bijvoorbeeld, dat bij hybriden duidelijk anders uitpakt dan het halfzwart zoals we dat bij guppen kennen. Dimitri Farla kweekte een hybride endlerstam in de grondkleur aziatisch blauw (r2). De invloed van de r2-genen op de hybriden zijn heel anders bij deze hybriden, in vergelijking tot 'gewone' guppy's. Dus, zoals al eerder geschreven, er valt nog heel veel te ontdekken: er wacht weer een volgende puzzel, een nieuwe uitdaging!

Geschreven en gefotografeerd door Karen Koomans.
In opdracht van Leo van der Meer.