zaterdag, januari 17, 2009

De goodeïden

De goodeïden.



Bij levendbarende aquariumvissen vormen de uit Mexico afkomstige
goodeïden een aparte groep waarin 41 soorten zijn opgenomen. Deze
vissen hebben een afwijkende voortplanting; er is veel uitwisseling
van voedingsstoffen tussen moeder en jong en de mannetjes
hebben een uniek gevormde aarsvin om de vrouwtjes te bevruchten.
De goodeïden zijn nog niet zo lang als aquariumvissen beschikbaar
en hun aanwezigheid in Nederland loopt parallel aan de opkomst van
Poecilia Nederland. Begin jaren tachtig kreeg de vereniging via de toenmalige voorzitter de heer J.VENTE de beschikking over de eerste vissen uit deze interessante groep.
Naast de bekende Ameca splendens en Xenotoca eiseni bereikten via zijn contacten met A. RADDA uit Wenen ook Chapalichthys pardalis, Ilyodon whitei en I. xantusi (tegenwoordig I. furcidens genaamd) Nederland. Meestal werd de populaire naam hooglandkarpers
gebruikt. Een naam die geen recht doet aan deze vissen.
Ze komen niet allemaal uit het hoogland en zijn al helemaal geen karperachtigen.
Tegenwoordig wordt als populaire naam meestal goodeïden gebruikt.

Over de goodeïden was in die tijd niet veel informatie beschikbaar.
Zeker in de Nederlandse literatuur was er weinig over te vinden.
Een eerste overzichtsartikel werd geschreven door J.VENTE en verscheen
in het tijdschrift Dieren.
In de jaren daarna kwam er telkens meer informatie beschikbaar.
De goodeïden werden het onderwerp van divers wetenschappelijk onderzoek en de vele artikelen hierover bieden nuttige informatie.
Binnen Poecilia Nederland is altijd een groep leden geïnteresseerd in
het houden en verzorgen van deze vissen. Door vele contacten met
het buitenland en importen van eigen leden zijn veel soorten in de
Nederlands aquaria gehouden en gekweekt.

In het clubblad Poecilia Nieuws zijn de ervaringen van de afgelopen 25 jaar door de leden
verwoord.
Het houden en vooral kweken van de goodeïden wordt extra belangrijk omdat steeds duidelijker wordt dat het biotoop van veel van deze soorten wordt bedreigd. De verspreiding concentreert zich tot westelijk centraal Mexico en juist in dit gebied is sprake van een grote bevolkingsgroei. De vervuiling van het verspreidingsgebied heeft, afhankelijk van de soort, meer of minder impact.
Sommige, zoals de genera Goodea en Ilyodon, blijken hier binnen bepaalde grenzen redelijk
tegen bestand. Andere, zoals het genus Allotoca, verdwijnen of worden teruggedrongen tot een klein gedeelte van het oorspronkelijke gebied.
De toenemende bevolkingsdruk brengt ook extra verbruik van het aanwezige water met zich mee. Zeker in jaren waarin weinig neerslag valt, verdwijnen veel biotopen. Een aantal soorten heeft een klein verspreidingsgebied en door het verdwijnen van een biotoop kan
daardoor een soort uitsterven.


Ook door de mens geïntroduceerde soorten vormen een extra gevaar voor de inheemse soorten. De karper en Afrikaanse cichliden worden als extra eiwitbron uitgezet. Soorten die interessant zijn voor sportvissers, zoals Noord-Amerikaanse baarzen, worden ook 34 35 geïntroduceerd.
Hoofdstuk 2 Ilyodon xantusi, Characodon lateralis, geboorte van een jong
Ook allerlei aquariumvissen zoals b.v. guppen worden tegenwoordig gevonden in de biotopen
van de goodeïden. Al deze exoten verhogen de druk door voedselconcurrentie, predatie, introductie van ziekten en verstoring van het gedrag.
Het voortbestaan van een aantal soorten hangt door bovenstaande factoren aan een zijden draadje en is mede afhankelijk van in aquaria gehouden populaties. Veel soorten worden
in de natuur als ernstig bedreigd beschouwd. Characodon garmani is uitgestorven, er zijn alleen nog enkele geconserveerde exemplarenaanwezig.
Zowel Skiffia francesae als Zoogoneticus tequila werden verondersteld alleen nog in het aquarium voor te komen, maar bij recent onderzoek in de natuur zijn van deze soorten nog kleine populaties aangetroffen.


Het belang van het voor een langere tijd verzorgen van deze soorten in aquaria is dus groot.
IVAN DIBBLE heeft in de jaren negentig het initiatief genomen om samen met de universiteit van Morelia (Mexico) een project ter bescherming van de goodeïden te starten. Gespecialiseerde verenigingen van over de hele wereld ondersteunen dit project met financiële bijdragen.
Er vindt uitwisseling van informatie tussen de hobbyisten en de wetenschappers van de universiteit plaats. Leden van de verschillende verenigingen hebben de afgelopen jaren de universiteit bezocht en met de medewerkers vangreizen gemaakt. Ook heeft uitwisselen van levende dieren plaats gevonden. Een aantal in de natuur niet meer aanwezige soorten zijn door hobbyisten beschikbaar gesteld aan de universiteit. Nakweek van in het wild gevangen
vissen werd aan de hobbyisten beschikbaar gesteld.

De goodeïden zijn ondanks hun interessante voortplanting nooit populaire aquariumvissen geworden. Een reden hiervoor is dat het gedrag van een groot aantal soorten niet geschikt is voor een gezelschapsaquarium.
Vooral de grotere en aantrekkelijke vissen als Ameca splendens en Xenotoca eiseni zijn door hun robuuste gedrag niet geschikt voor het samenhouden met andere soorten.
Het agressieve gedrag wordt vaak nog versterkt door de te hoge temperatuur van het gemiddelde gezelschapsaquarium. Mindere robuuste aquariumbewoners, zeker die met langere vinnen, delven snel het onderspit. Andere goodeïden, zoals vissen uit de geslachten Ilyodon,
zijn groot en niet bijzonder kleurig.
De kleinere fraaie soorten goodeïden blijken niet eenvoudig in het aquarium te houden. Zo
stellen de fraaie vertegenwoordigers uit het genus Girardinichthys veel eisen aan waterkwaliteit en temperatuur die in een gezelschapsaquarium niet te realiseren zijn.
Bij het houden en verzorgen van goodeïden moet rekening worden gehouden met de diversiteit binnen deze groep vissen. De goodeïden komen zowel in stilstaand als stromend water voor en de verschillende soorten hebben zich hieraan aangepast. Daarnaast leven sommige tussen
de planten, terwijl anderen zich in het open water ophouden.
Een groot aantal vissen is omnivoor, maar er zijn ook uitgesproken voedselspecialisten
aanwezig.
Alloophorus robustus is een rover die zich voornamelijk voedt met andere vissen. Welk voer wordt gegeten, hangt in de natuur ook af van het aanbod. Carnivore soorten zullen bij gebrek aan dierlijk voedsel ook veel plantaardig materiaal en detritus eten. In het aquarium dient gevarieerd te worden gevoerd, waarbij een periode met minder eiwitrijk voer noodzakelijk is.



In het oorspronkelijke leefgebied is een groot verschil tussen de seizoenen aanwezig. Temperatuur en watersamenstelling variëren in de 36 37 loop van het jaar sterk.
Skiffia multipunctata Zoogeneticus tequila Verzorging
Om de goodeïden over een langere periode in het aquarium te houden, is het van belang dat de temperatuur in de loop van een jaar varieert. Afhankelijk van de soort is 12°C gedurende enkele maanden al voldoende. Deze koele periode is voor de vissen een rustperiode waarin ze minder eten en zich niet voortplanten. Een constante hoge temperatuur is de oorzaak van het verzwakken van de vissen, waardoor ze niet erg oud worden.
Veel aquarianen hebben goede ervaring met het ’s zomers buiten houden. Hiermee worden te hoge temperaturen voorkomen en het gevarieerde voedselaanbod zorgt voor gezondere dieren. Vooral de grotere soorten kunnen bij een juiste verzorging een respectabele leeftijd van zes jaar bereiken.
Om de vissen goed te verzorgen is het van belang dat ze in een groep worden gehouden. In een dergelijke groep kunnen het beste vissen van verschillende leeftijd en grootte worden gehouden. Binnen deze groep vormt zich een rangorde en hebben individuen de mogelijkheid om elkaar te ontlopen, waardoor er geen vissen door onderlinge gevechten beschadigd raken.


Het houden van een paartje blijkt vaak lastig en het is daarom verstandig om met een groepje te
beginnen.
De kwaliteit van het water is ook van belang. Alleen wanneer het water regelmatig voor een groot deel wordt ververst, is het mogelijk om de soorten gezond te houden. Kan aan deze eis niet worden voldaan dan is het af te raden om goodeïden te houden.
Het vervoer van goodeïden vraagt extra aandacht. Het is mogelijk om kleinere vissen samen in één verpakking te transporteren. Volwassen exemplaren dienen echter apart verpakt te worden. Anders is de kans groot dat de vissen het transport niet overleven.
De voortplanting van de goodeïden is uniek. Het zijn levendbarende vissen en de mannetjes brengen sperma in het lichaam van het vrouwtje. Om de vrouwtjes te bevruchten hebben de mannetjes een tot geslachtsorgaan omgevormde aarsvin, waarmee de overdracht van sperma mogelijk is. Dit geslachtsorgaan wordt andropodium genoemd. Het andropodium is per soort verschillend ontwikkeld. Bij sommige soorten zijn de eerste vinstralen van de mannetjes duidelijk vergroeid (bijv. het genus Girardinichthys), terwijl bij anderen zoals Goodea het geslachtsonderscheid minder duidelijk zichtbaar is.
De bevruchting wordt voorafgegaan door een balts waaraan beide geslachten deelnemen.
Dit is een verschil met de levendbarende tandkarpers waarbij de vrouwtjes niet deelnemen aan de balts.

De balts is per soort en kan ook per locatie verschillen. In grote lijnen komt de balts er op neer
dat de mannetjes met gespreide vinnen voor het vrouwtje zwemmen en op deze wijze de vrouwtjes proberen over te halen tot een paring. Als de vrouwtjes in de juiste stemming zijn, dan nemen ze actief deel aan de balts waarbij het lichaam schokkerig heen en weer wordt bewogen. Vrouwtjes hebben een voorkeur voor grote mannetjes die meer baltsen dan hun kleinere soortgenoten. De mannetjes zijn niet zo seksueel actief als de mannetjes van de levendbarende tandkarpers. Alleen als de vrouwtjes ook bereid zijn om te paren zullen ze beginnen met baltsen. De paarbereidheid van de vrouwtjes wordt mede bepaald door de temperatuur. Bij te hoge of te lage temperaturen planten ze zich niet voort. Bij de juiste temperatuur, die rond de
20°C ligt, zijn de vrouwtjes na een worp ongeveer een week vruchtbaar en in deze periode zijn ze bereid om te paren. Vrouwtjes van de goodeïden kunnen geen sperma opslaan, maar het
komt wel voor dat ze in één worp jongen van meerdere mannetjes 38 39 krijgen.


Voortplanting:
Xenotoca eiseni uit de Rio Tamazula Na de bevruchting duurt het ongeveer acht weken voordat de jongen worden geboren. De jongen ontvangen in het moederlichaam veel voedsel en de toename in gewicht ten opzichte van het eitje is meer dan 1.000%. Het voedsel wordt in het ovarium overgebracht via een uitwendige voedselstreng bij de jongen (trophotaenia). Vlak
na de geboorte is deze voedselstreng nog enkele dagen zichtbaar.
Uit onderzoek is gebleken dat de jongen zich in het ovarium ook voeden met niet bevruchte eitjes. Het aantal jongen is afhankelijk van de soort en de grootte van het vrouwtje. Opvallend is dat vrouwtjes die voor het eerst werpen meestal maar drie tot vijf jongen per worp krijgen.
Deze jongen zijn relatief groot, soms tot twee centimeter. Grotere vrouwtjes werpen meer jongen die kleiner zijn en bij de geboorte ongeveer één centimeter groot zijn. De pasgeboren
jongen zijn eenvoudig te voeren met allerlei soorten klein voer. Voor een goede groei mag levend
voer niet ontbreken.


De meeste soorten zijn, mits er voldoende schuilplaatsen aanwezig zijn, goed in een groep te kweken en het is dan niet noodzakelijk om vrouwtjes apart te zetten. Voor sommige soorten, zoals Xenotoca melanosoma, is het echter wel noodzakelijk om de vrouwtjes apart te zetten. In hoeverre het noodzakelijk is om deze maatregelen te nemen, laat zich niet altijd goed voorspellen. Soms lukt het om de vissen in een groep te houden, terwijl dit later niet meer blijkt te lukken. Dit vraagt aandacht van de kweker.
Over het algemeen kan worden gesteld dat wanneer er vissen van verschillende grootte aanwezig zijn het niet nodig is om vrouwtjes voor de worp te isoleren. Het isoleren van drachtige vrouwtjes dient zorgvuldig te gebeuren. Door de stress is de kans op te vroeg geboren
jongen groot. Bij het samenhouden van verschillende soorten is enige voorzichtigheid
geboden. Het is een kwestie van uitproberen of meerdere soorten goodeïden elkaars gezelschap in het aquarium verdragen. Soorten uit hetzelfde genus moeten in ieder geval niet samen worden gehouden. De kans op hybriden is dan aanwezig. Een zwartgekleurde hybride, ontstaan door het kruisen van Skiffia multipunctata en Skiffia francesae, circuleert onder naam “black beauty” in de hobby.


Een ander nadeel dat zich voordoet bij het houden van meerdere soorten in hetzelfde aquarium is dat de jongen slecht van elkaar te onderscheiden zijn. Bij het uitwisselen van soorten kan dit eenvoudig tot misverstanden leiden. De goodeïden zijn voor de meer gevorderde aquariaan een interessante groep vissen. Er wordt de laatste jaren telkens meer onderzoek gedaan, maar veel aspecten zijn nog niet duidelijk. Het houden en kweken van de soorten is niet in alle gevallen eenvoudig. Vooral het een langere tijd in stand houden van een soort is bewerkelijk en
vraagt veel aandacht en een portie geluk. Voor gespecialiseerde liefhebbers ligt hier een grote uitdaging. Het
40 41 boek van HIERONIMUS (1995) geeft veel extra informatie.

Dit stuk tekst is in zijn geheel over genomen, onder goedkeuring, uit Poecilia nieuws een uitgave van het 25 jarig bestaan van Poecilia Nederland.
Tekst: Kees de Jong.
Foto`s: Leo van der Meer.

Literatuur
Onderstaande literatuur is gebruikt bij het maken van deze speciale uitgave van Poecilia
Nieuws. Ze vormen, samen met de oude jaargangen van Poecilia Nieuws, een goede aanvulling
en verdieping op de in deze uitgave opgenomen informatie.
A.L. ARIAS & D. REZNICK (2000): Life history of Phalloceros caudiomaculatus: A novel
variation on the theme of livebearing in the Family Poeciliidae. Copeia (3): 792-798.
M. BREMBACH (1979). Levendbarende vissen in het aquarium. B.V. W.J. Thieme &
Cie – Zutphen.
M. BREMBACH (1991). Lebendgebärende Halbschnäbler. Verlag Natur & Wissenschaft
– Solingen.
W.A. BUSSING (1979): A new fish of the genus Phallichthys (Family Poeciliidae) from
Costa Rica. Contributions in Science Natural History Museum of Los Angeles
County (301): 1-8
J. DAWES (1991): Livebearing fishes. A guide to their aquarium care, biology and
classification. Blandford London.
F. DE FILIPPI (1861): Note Zoologiche IV. Lebistes, nuovo genere di perce della
famiglia dei Ciprinodonti. Archivio per la Zoologia l’Anatomia e la Fisiologia
(Genova), 1: 69-70, pl. 4.
O. DOMÍNGUEZ-DOMÍNGUEZ, N. MERCADO SILVA, J. LYONS & H. GRIER 2005.
The Viviparous Goodeid Species. In: M.C. URIBE & H.J. GRIER, book editors,
Viviparous Fishes. New Life Publications, Homestead, Florida. p. 525-569.
K. EICHBAUM ESTEVES & J. LOBÓN-CERVÍA (2001): Composition and trophic
structure of a fish community of a clear water Atlantic rainforest stream in
southeastern Brazil. Environmental Biology of Fishes (62): 429-440.
FILIPPI, F. DE. 1861. Note Zoologiche IV. Lebistes, nuovo genere di perce della
famiglia dei Ciprinodonti. Archivio per la Zoologia l’Anatomia e la Fisiologia
(Genova), 1: 69-70, pl. 4.
G. GÄRTNER, Zahnkarpfen- Die Lebendgebärenden im Aquarium . Ulmer 1981 blz.
61-63.
M.J. GHEDOTTI & S.H. WEITZMAN (1996): A new species of Jenynsia (Cyprinodontiformes:
Anablepidae) from Brazil with comments on the composition and
taxonomy of the genus. Occ. Papers Nat. Hist. Mus. Univ. Kansas (179): 1-25.
H. HIERONIMUS (1995): Die Hochlandkärpflinge. Westarp-Wiss. Magdeburg
J.J. HOEDEMAN (1980): Tandkarpers en hun verwanten. Zuidgroep B.V. Uitgevers –
Best.
J.J. HOEDEMAN (1980): Tandkarper biotopen. Zuidgroep B.V. Uitgevers – Best.
C.L. HUBBS (1926a): Studies of the fishes of the order Cyprinodontes VI. Misc. Publ.
Mus. Zool. Univ. Mich. 16 (1): 1-87.
K. JACOBS (1969): Die lebendgebärenden Fische der Süßgewässer. Verlag Harri
Deutsch Frankfurt/Main und Zürich.
K. DE JONG (1987): Xenotaenia resolanae, een mooie en eenvoudig te houden hooglandkarper.
Poecilia Nieuws (1): 7-9.
K. DE JONG (1995): Van egale naar gevlekte Limia vittata (GUICHENOT, 1853). Poecilia
Nieuws (3): 44-48.
K. DE JONG (1997): Weer een nieuwe soort in het genus Jenynsia. Poecilia Nieuws (3):
49-52.
K. DE JONG (1998): Twee grote Limia-soorten. Poecilia Nieuws (1): 4-10.
K. DE JONG (2008): Even voorstelllen. POECILIA NIEUWS (1): 25-27.
M. KEMPKES (2000). Levendbarende tandkarpers. Tirion Uitgevers BV - Baarn
D. KUNATH (1990): Die Kreuzung Characodon lateralis GÜNTHER, 1866 mit Characodon
audax SMITH & MILLER, 1986. ZAG Lebendgebärende Zahnkarpfen (2): 7-9.
D. LAMBERT & P. LAMBERT (1995), Platies and Swordtails. Blandford – London.
P.H.F. LUCINDA, R.E. REIS & R. QUEVEDO (2002): Jenynsia onca, a new species of
anablepid fish (Teleostei: Cyprinodontiformes) from southern Brazil and its
phylogenetic position. Ichthyol. Explor. Freshwaters (1): 33-40.
J. LYONS & S. NAVARRO-PEREZ (1990): Fishes of the Sierra de Manantlan, West-
Central Mexico. The Southwestern Naturalist (1): 32-46.
J. LYONS (2002a): De grondbaars goodeïden, het geslacht Allodontichthys. Poecilia
Nieuws (5): 91–95.
J. LYONS (2002b): Het natuurlijk verspreidingsgebied van de luipaard goodeïde Xenotaenia
resolanae. Poecilia Nieuws (4): 61-73.
A.C.G. MAI, A.M. GARCIA, J.P. VIEIRA & M.G. MAI (2007): Reproductive aspects of
the one-side livebearer Jenynsia multidentata (JENYNS, 1842) (Cyprinodontiformes) in
the Patos Lagoon estuary, Brazil. Pan-American Journal of Aquatic Sciences (1): 40-
46.
A.D. MEISNER (2001): Phylogenetic systematics of the viviparous halfbeak genera
Dermogenys and Nomorhamphus (Teleostei: Hermirhamphidae: Zenarchopterinae).
Zool. J. Linnean Soc. 133: 199-283.
M.K. MEYER, L. WISCHNATH & W. FOERSTER (1985): Lebendgebärende Zierfische –
Arten der Welt. Mergus - Melle.
L. PARENTI (1981): Phylogenetic and Biogeographic analysis of Cyprinodontiform
Fishes (Teleostei, Atherinomorpha). America Museum of Natural History (168):
335-557.
J. PAULO-MAYA & P. TRUJILLO-JIMÉNEZ (2000): Neuva especie de Ilyodon (Cyprinodontiformes:
Goodeidae) de la cuenca del Río Balsas, Mexico. Rev. Biol. Trop. 2/3:
465-472.
K. PLÖGER-BREMBACH (1982): Lebendgebärende. Alfred Kernen Verlag - Stuttgart.
POESER, F.N. AND I.J.H. ISBRÜCKER (2002): Zum wissenschaftlichen Nahme des
Guppy. DATZ 2002 (4): 47-49.
84 85
F. N. POESER (1996): Twee nieuwe soorten in het genus Jenynsia, 1866 uit Zuid-
Brazilië door M.J. GHEDOTTI en S.H. WEITZMAN. Poecilia Nieuws (2): 24-25.
F.N. POESER (1998): De amazone molly, Poecilia formosa (GIRARD, 1859), een
zwemmende biologieles. Poecilia Nieuws (2): 27-33.
F.N. POESER, M. KEMPKES & I.J.H. ISBRÜCKER (2005): Description of Poecilia
(Acanthophacelus) wingei n. sp. from the Paría Peninsula, Venezuela, including notes on
Acanthophacelus EIGENMANN, 1907 and other subgenera of Poecilia BLOCH AND
SCHNEIDER, 1801 (Teleostei, Cyprinodontiformes, Poeciliidae). Contribution to
Zoology, 74 (1/2): 97-113.
M. RAUCHENBERGER 1988. A new species of Allodontichthys (Cyprinodontiformes:
Goodeidae), with comparative morphometrics for the genus. Copeia (2): 433 – 441.
C.T. REGAN (1913) A revision of the cyprinodont fishes of the subfamily Poeciliinae.
Proc. Zool. Soc. Lond.: 977-1018.
C.T. REGAN (1913) A revision of the cyprinodont fishes of the subfamily Poeciliinae.
Proc. Zool. Soc. Lond.: 977-1018.
D. REZNICK, R. MEREDITH & B. COLLETTE (2007) Independent evolution of
complex life history adaptations in two families of fishes, live-bearing halfbeaks
(Zenarchopteridae, Beloniformes) and Poeciliidae (Cyprinodontiformes). Evolution
(11): 2570-2583.
H. STALLKNECHT (2000) Lebendgebärende Zahnkarpfen. Tetra-Verlag GmbH –
Bissendorf-Wulften
E.C. TAYLOR (1984): Hooglandkarpers (vervolg). Poecilia Nieuws (3): 4-7.
C.L TURNER (1946): A contribution to the taxonomy and zoogeography of the
Goodeid fishes. Occasional papers of the museum of zoology University of
Michigan (495): 1-13.
L. WISCHNATH (1993): Atlas of Lifebearers of the World T.F.H.- Neptune City
Internet:
www.fishbase.org
www.itis.gov

donderdag, januari 01, 2009

Brachyrhapis hartwegi

Brachyrhapis hartwegi.

Foto boven: man B.hartwegi(houder Herman van de Kooy).
Nederlandse naam:
Niet aanwezig

Foto boven: koppel B Hartwegi (herman van de Kooy)

Verspreidingsgebied:
Het zuiden van Mexico en Guatamala.

Foto boven: man B.hartwegi (Herman van de Kooy).

Kenmerken:
Deze bijzonder fraaie vertegenwoordiger
uit het geslacht Brachyrhaphis is al
in 1977 naar Europa gekomen en
heeft zich altijd, zij het bescheiden,
kunnen handhaven onder de liefhebbers
van levendbarenden. Op de foto
is niet duidelijk te zien dat naast het
fraaie uiterlijk dit visje ook nog beschikt
over een oplichtend oog. Vooral
bij jonge exemplaren is dit heel
sprekend. Weliswaar is het niet zo fel oplichtend als b.v. bij Priapella
olmecae maar het is een duidelijk waarneembaar kenmerk en zeker
een aanwinst te noemen. De vrouwtjes zijn als gewoonlijk wat minder
sprekend van kleur.

Foto boven :Priappela olmeca (Kees de Jong).

De mannetjes van B. hartwegi zijn in het bezit van een lang gonopodium.
Volgens de literatuur kunnen de mannetjes tot 3,5 cm lang
worden en de vrouwtjes wel 5 cm. Mijn ervaring is dat zij wat kleiner
blijven maar dat kan in de natuur wel anders zijn.
Verzorging en kweek:
De verzorging van dit visje is vrij eenvoudig al moeten zij niet te
koud worden gehouden. Ik houd ze zo net boven de 20°C maar
mocht de temperatuur met warme dagen oplopen dan heb ik niet
gezien dat zij daar grote problemen mee hadden.
Ze kunnen wel schuw zijn, zeker als zij noodgedwongen van bak
moeten verhuizen duurt het een tijdje voor ze weer gewend zijn en
we weer kunnen genieten van hun fraaie uiterlijk.

Ze kunnen dan
behoorlijk fel zijn en soortgenoten achterna zitten maar het komt
niet tot gevechten waarbij beschadigingen zouden kunnen optreden.
Helaas is er ook een min puntje te constateren. Toen ze bij mij
samen werden gehouden met guppen met fraaie lange staartvinnen,
moest ik constateren dat ze daar niet blij mee waren en al gauw
zwommen er guppen rond met een aangevreten staart. Overigens is
dit visje nog het meest vreedzaam binnen het genus Brachyrhaphis, de
andere soorten zijn bijters en kunnen niet van hun jongen afblijven.

Foto boven: man B.hartwegi-vrouw Skiffia lermae.

Wat het voedsel betreft zijn ze zeker niet moeilijk, het gewone
standaardmenu van diepvries en droogvoer wordt goed gegeten.
Natuurlijk hebben ze ook graag levend voer maar dat mag dan niet
te groot zijn. Op artemianaupliën zijn ze verzot maar welke vis is dat
niet?
Ook de kweek levert geen problemen op, het is zelfs oppassen voor
overbevolking omdat zij hun jongen met rust laten. Op zijn tijd zal
men moeten ingrijpen om dit te voorkomen. Houdt men dit visje
samen met andere tandkarpers dan wil het nog wel meevallen met
die overbevolking omdat die hun menu wel eens willen aanvullen.
Bij een juiste voeding groeien de jongen voorspoedig op en al is het
niet direct nodig, het heeft de voorkeur de jongen in een bakje de
eerste 2 maanden b.v. apart te laten opgroeien. Het voedselaanbod
is in zo’n apart bakje natuurlijk veel beter dan in een grotere bak met
volwassen vissen.

Foto boven: man B.hartwegi.
Deze soort is niet erg gevoelig voor ziekten, dat is althans mijn
ervaring. Wel heb ik soms jongen waarbij de zwemblaas niet goed
gevuld is zodat zij zich huppelend door de bak moeten bewegen. Ik
vernietig deze exemplaren natuurlijk onmiddellijk.
Opmerkingen:
Een bakje van ca. 60 cm, goed beplant en voorzien van een
bodemlaagje van b.v. fijn grint en ook niet te fel belicht en bevolkt
met deze fraaie tandkarper is een lust voor het oog. U kunt dit nog
aanvullen m 14 15 et een enkele Ancistrus en/of wat garnaaltjes.

Tekst :Herman van de Kooy.
Foto`s :Leo van der Meer

maandag, december 22, 2008

Skiffia cf francesae.

Skiffia cf francesae. Opnieuw ontdekt!

Foto boven: Foto van een man Skiffia franceae.
De bedreiging van de goodeïden in de natuur valt mee. Deze conclusie zou je kunnen trekken nu ook Skiffia francesae weer in de natuur is aangetroffen. Van deze soort werd lange tijd aangenomen dat ze in de natuur niet meer voorkwam en alleen nog in aquaria leefde. In 2007 hebben onderzoekers van de universiteit van Morelia vissen gevangen die vrijwel identiek zijn aan S. francesae. Een definitieve determinatie moet nog plaatsvinden, maar de eerste indruk is dat de aangetroffen vissen wel degelijk S. francesae zijn. Voor mij is dit de reden om in de titel de soort Skiffia cf francesae te noemen. In dit artikel noem ik de soort alvast S. francesae.

Foto boven: vrouwS.franceasae.
Het opmerkelijk van de vindplaats is dat deze geen onderdeel uitmaakt van het Rio Ameca stroomgebied waarvan werd aangenomen dat S. francesae alleen maar voor zou komen. Op de locatie werd ook nog Ameca splendens aangetroffen, waarvan ook werd aangenomen dat de verspreiding beperkt was tot het Rio Ameca stroomgebied. De aanwezigheid van A. splendens is ook goed nieuws. Van deze soort is van het oorspronkelijke verspreidingsgebied nauwelijks iets over. Alleen in de bronnen van de Río Ameca (Teuchitlan) werd de soort nog gevonden.

Foto boven: man Ameca splendens.
Het is niet uniek dat een goodeïde die lange tijd als in de natuur uitgestorven werd beschouwd, toch nog in de natuur blijkt voor te komen. Eerder was dit het geval bij Allotoca maculata (Shuker, 1993) en Zoogoneticus tequila (Vega-Salazar et al 2003, Kabbes 2000). Deze bleken ook nog kans te hebben gezien om in kleine poeltjes te overleven.


Foto boven:Zoogoneticus tequila.
Volgens de huidige inzichten wordt alleen Characodon garmani als uitgestorven beschouwd. Voor deze soort lijkt het doek definitief te zijn gevallen. Ook in het aquarium zijn er geen levende exemplaren van bekend. De enige fysieke bewijzen voor deze soort zijn enkele gedeeltelijk vergane visjes in een potje met alcohol. De soorten waarvan men aannam dat ze in de natuur zijn uitgestorven, is dus teruggelopen van vier naar een.

Foto boven: man en vrouw S francesae.
Dit goede nieuws moet niet alleen positief worden gezien. De gevonden soorten zijn afkomstig uit kleine kwetsbare biotopen. Er hoeft niet zoveel te gebeuren of deze biotopen zijn weer verdwenen. Om deze biotopen in ieder geval te beschermen tegen allerlei geïnteresseerden, wordt de locatie ook niet meer vrijgegeven door de ontdekkers er van. Bezoek van liefhebbers die de herontdekte soorten willen vangen kan het voortbestaan van de populaties al in gevaar brengen.


Ook een nieuw ontdekte Zoogeneticus quitzeoensis.(n.sp.La Luz.)
Het verspreidingsgebied van veel andere soorten goodeïden neemt nog steeds af. Soorten die vroeger op veel plekken werden aangetroffen, worden nu nog slechts sporadisch aangetroffen (Domínguez-Domínguez et al 2005, De Jong 2000). De conclusie dat de bedreiging van de goodeïden in de natuur mee valt is dan ook onjuist. Het terugvinden van enkele soorten is geen compensatie voor de sterke afname van het aantal plaatsen waar de soorten nog worden gevonden.


Foto boven:Ilyodon xantuzi een veel voorkomende goodeiden.
De levende vissen
Nog even over de herontdekte populatie van S. francesae. Het gaat ons aquarianen toch om de levende vissen. De universiteit van Morelia (Mexico) kweekt deze vissen in hun laboratorium. Tijdens mijn bezoek eind 2007 aan de universiteit van Morelia kreeg ik van Omar Domínguez-Domínguez een groepje van deze vissen mee. Deze vissen blijken het in mijn aquarium heel goed te doen en ik heb er al veel nakweek van. Aan een aantal geïnteresseerden heb ik vissen kunnen geven.

De mannetjes zijn erg mooi. Hun goudkleurige lichaam in combinatie met de hoge rugvin maakt ze tot fraaie aquariumbewoners. De vrouwtjes zijn veel eenvoudiger van kleur.

De manier waarop de soort het beste kan worden verzorgd, zal ik hier kort beschrijven. Het belangrijkste is dat de vissen in een groep van minimaal 10 dieren moet worden gehouden. Dit kan het beste in een aquarium met zo min mogelijk andere soorten. Het is wel noodzakelijk om regelmatig een deel van het water te verversen. Gebeurt dit niet dan neemt de levendigheid van de vissen sterk af. Aan het voer worden geen bijzondere eisen gesteld, een gevarieerd menu is voldoende. Op enkele plaatsen in het aquarium dienen schuilplaatsen aanwezig te zijn waar de vissen zich af en toe terug kunnen trekken. Ook de netgeboren jongen zullen zich hier de eerste dagen ophouden. De jongen kunnen in hetzelfde aquarium als hun ouders opgroeien. Het is niet noodzakelijk om ze apart op te fokken. De temperatuur kan het beste tijdens het jaar een rond de 20°C liggen.

Twee rivaliserende mannen Skiffia Francesae.
Is aan bovenstaande eisen voldaan dan zullen de vissen ook hun interessante gedrag tonen. De vissen lijken in het aquarium een rangorde te hebben en regelmatig verjagen ze elkaar. Vooral de mannetjes zijn hierin erg actief. Ze proberen indruk op elkaar te maken door hun vinnen te spreiden en elkaar hun fraaiste kleuren te tonen. Het is opvallend dat dit gedrag bijna altijd tussen vissen van dezelfde grootte speelt. De onderlinge competitie wordt over meerdere vissen verdeeld, zodat individuen de mogelijkheid hebben om zich te onttrekken aan het bepalen van de rangorde en tot rust kunnen komen.

Concluderend is de nieuwe populatie van S. francesae een aantrekkelijke vis is die het verdient om door veel mensen te worden gehouden en gekweekt. Mijn streven is om zoveel mogelijk liefhebbers te voorzien van een groep van deze vissen, zodat een goede start mogelijk is. We zullen de nieuwe populatie wel gescheiden moeten houden van de al in het aquarium aanwezige S. francesae. Zoals al aangegeven is nog niet definitief vastgesteld of het om S. francesae gaat en bovendien kunnen er verschillen zijn tussen de twee stammen. Ik stel voor dat we nieuwe stam onder de naam S. francesae 2007 registreren. Door deze naamgeving weet iedereen om welke vissen het gaat. Mocht uiteindelijk blijken dat het toch niet om S. francesae gaat, dan kunnen we de naam aanpassen.

Nog een foto van een schitterende man S francesae.
Literatuur
O. Domínguez-Domínguez, N. Mercado Silva, J. Lyons & H. Grier (2005): The Viviparous Goodeid Species. In: M.C. Uribe & H.J. Grier, book editors, Viviparous Fishes. New Life Publications, Homestead, Florida. p. 525-569.
K. de Jong (2000): Trends in de verspreiding van Goodeidae. Poecilia Nieuws (6): 108-113
B. Kabbes (2000): Hij is niet dood, hij leeft! (maar hoe lang nog?). Poecilia Nieuws (1): 14-16
Dr. K. Shuker 1993. The Lost Ark. New and rediscovered animals of the 20th century. HarperCollinsPublishers – LondonM.Y. De La Vega-Salazar, E.G. Avila-Luna & C. Macías-Garcia (2003): Threatened fishes of the world: Zoogoneticus tequila Webb & Miller 1998 (Goodeidae). Environmental Biology of Fishes (68): 14-14
Tekst:Kees de Jong.
Foto`s:Leo van der Meer.
Bewerking:Herman van de Kooy.

donderdag, december 11, 2008

Xiphophorus andersi

Xiphophorus andersi (Meyer & Schartl, 1980).


Foto boven: koppel X.andersi (Kweker Kees de Jong)
Synoniemen:
Geen


Foto boven: Vrouw X andersi(Kweker Kees de Jong)

Nederlandse naam:
Atoyac zwaardplaty


Foto boven man X.andersi (Kweker kees de Jong).

Beschrijving:
M.K. Meyer & M. Schartl (1980): Eine neue Xiphophorus-Art aus Vera Cruz, Mexiko. Senckenbergiana biol. (60): 147-151


Foto boven: hier zijn ze bezig X.andersi te vangen.
Naamgeving:
Xiphophorus = zwaarddrager. Uit het Grieks en dit verwijst naar het gonopodium bij de mannetjes
andersi = genoemd naar Prof. Dr. F. Anders die veel onderzoek naar kanker heeft gedaan, waarbij hij gebruik maakte van vissen uit het genus Xiphophorus.

Foto boven: Rio Atoyac (foto Kees de Jong)

Verspreiding:
Het Atoyac zwaardplaty wordt alleen gevonden in de bron van de Río Atoyac in de Mexicaanse staat Vera Cruz. Dit kleine gebied in de buurt van het plaatsje Chico ligt in een vallei waar veel suikkerriet wordt verbouwd. Door het uitblijven van regen en de grote hoeveelheden water die nodig zijn voor het suikkerriet is het leefgebied erg klein en dit maakt de soort zijn oorspronkelijk verspreidingsgebied kwetsbaar.
De soort komt samen voor met onder andere Poecilia mexicana, Xiphophorus hellerii, Pseudoxiphophorus jonesi, Pseudoxiphophorus bimaculatus en Astyanax sp.


Foto boven: koppel X.andersi (kweker Kees de Jong).
Uiterlijk:
Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben een bruine lichaamskleur met een lichte buikzijde. Als de dieren zich goed voelen, kunnen de vinnen enigszins geel gekleurd zijn. Beide geslachten hebben twee zwarte bandjes in de rugvin. Wat opvalt is dat mannetjes een klein doorzichtige zwaardje hebben. De vrouwtjes hebben een duidelijke zwarte drachtigheidsvlek. Van de mannetjes zijn twee vormen bekend, een grote en een kleine. De grote vorm kan bijna net zo groot worden als een vrouwtje en heeft net als deze ook een zwarte vlek op de buikzijde. Deze wordt wel pseudo-drachtigheidsvlek genoemd. De andere vorm blijft kleiner en mist deze tekening.

Grootte:
De mannetjes van deze soort kunnen tot 6 cm lang worden, de vrouwtjes twee centimeter groter. Zoals al aangegeven bestaan er twee vormen bij de mannetjes. De lengte van mannetjes van levendbarende tandkarpers wordt vooral bepaald door de leeftijd waarop ze geslachtsrijp zijn (Kallman, 1989), hierna zullen ze nauwelijks meer groeien. De mannetjes met de pseudo-drachtigheidsvlek zijn op latere leeftijd geslachtsrijp dan de mannetjes zonder dit kenmerk en blijven dus langer doorgroeien. Kallman toonde aan dat deze twee kenmerken via een allel op het Y-chromosoom vererven.

Foto boven: Rio Atoyac (foto Kees de Jong).

Verzorging en kweek:
Het Atoyac zwaardplaty stelt geen bijzondere eisen aan de voeding. Ook droogvoer wordt gegeten en het is goed mogelijk om dit langdurig als enig voedsel aan te bieden. Dat een meer gevarieerd menu op de lange duur beter is, spreekt voor zich. Deze platy lijkt gevoelig voor een verslechtering van de waterkwaliteit, wat regelmatig waterverversen noodzakelijk maakt. Deze gevoeligheid is aannemelijk aangezien de soort in zijn natuurlijke biotoop vlak bij een bron voorkomt.

Zoals hierboven reeds aangegeven bestaan er twee mannelijke vormen, een grote met een pseudo-drachtigheidsvlek en een kleine zonder dit kenmerk. De kleine mannetjes zijn sneller geslachtsrijp dan de grote en kunnen dus ook eerder de aanwezige vrouwtjes bevruchten. Gevolg hiervan is dat de fraaiere grotere mannetjes, wanneer er aan dit aspect geen aandacht wordt geschonken, uit de aquariumstam zullen verdwijnen. In mijn eigen stam probeer ik het aantal kleine mannetjes te beperken. Aangezien ik niet wil dat dit specifieke kenmerk uit mijn stam verdwijnt, laat ik meestal één of twee van deze mannetjes in de groep zitten. De grotere mannen zijn veel dominanter en verjagen de kleinere regelmatig.

Bij een lagere temperatuur worden de vissen minder snel geslachtsrijp en hebben een rustperiode waardoor ze uiteindelijk groter en forser worden. Op dit moment houd ik deze soort ‘s winters in een van de aquaria met een lagere temperatuur. De temperatuur daalt hier als het erg koud is af en toe tot 15ºC en komt vaak voor een langere periode niet boven de 17°C. In de zomer kan de temperatuur weer oplopen tot 26ºC. Hoewel de vissen bij een lagere temperatuur nauwelijks groeien, krijg ik op deze wijze wel grote en sterke dieren.

De mannetjes voeren af en toe een balts uit waarbij ze met gekromde rug en gespreide vinnen voor het vrouwtje heen en weer zwemmen. Verder is het Atoyac zwaardplaty een rustige soort die met een aquarium vanaf 60 centimeter lengte genoegen neemt. Hoewel er in de natuur geen hybriden van deze soort en de sympatrisch voorkomende zwaarddrager bekend zijn, is het niet verstandig om de vis samen te houden met andere soorten uit het genus Xiphophorus. De kans op bastaarden is dan zeker aanwezig. Hoewel het kruisen van soorten tot interessante kweekvormen kan leiden, voegen meestal niets toe aan de reeds aanwezige soorten en zullen ze alleen maar tot misverstanden leiden.

De kweek van de soort geeft nauwelijks problemen. Zeker in een eigen soortaquarium met enige planten, zullen er altijd voldoende jongen overblijven om de soort in stand te houden en vissen aan andere geïnteresseerden te beschikking te stellen.

Opmerkingen:
Een vraag die natuurlijk voor de hand ligt, is waarom sommige mannetjes een pseudo-drachtigheidsvlek hebben. Gordon (1997) schrijft dat de drachtigheidsvlek bij de vrouwtjes van levendbarende tandkarpers tijdens de zwangerschap in grootte toeneemt. Langhammer (1997) vermoedt op basis hiervan van de pseudo-drachtigheidsvlek bij mannetjes een signaalfunctie voor andere mannetjes zou kunnen hebben. Dergelijke mannetjes zouden andere mannetjes de boodschap geven dat het zinloos is om energie in hun te steken, omdat ze reeds bevrucht zijn. In hoeverre deze theorie klopt weet ik niet. Het zou ook best zo kunnen zijn dat een grote duidelijke drachtigheidsvlek door de vrouwtjes wordt gezien als een teken van vitaliteit. Mogelijk dat verder onderzoek hier in de toekomst meer informatie over zal verschaffen.

Literatuur:
D. Gentzsch (1989): Ergänzende Hinweise zum Erstimport des Gelben Schwertschwanzplatys Xiphophorus andersi nach Europa. ZAG Lebendgebärende Zahnkarpfen (4): 12-
Gordon, M. (1997) What does the “gravid spot” mean? Livebearers vol 149: 24 - 26
K. de Jong (1988): Xiphophorus andersi, met uitsterven bedreigd; het Atoyac zwaardplaatje. Poecilia Nieuws (2): 25-26
K. de Jong (1989): Xiphophorus andersi, vom aussterben bedroht. ZAG Lebendgebärende Zahnkarpfen (4): 11-12
K. de Jong (1996): Een nieuwe aanpak. Poecilia Nieuws (2): 26-29
K. de Jong (1999): Het Atoyac zwaardplaty (Xiphophorus andersi, Meyer & Schartl 1979). Poecilia Nieuws (3): 55-61
K. de Jong (2001): De Atoyac zwaardplaty Xiphophorus andersi. Het Aquarium (6): 214-216
K. de Jong (2004): Der Atoyac Schwertplaty (Xiphophorus andersi, Meyer & Schartl 1979). Das Lebendgebärenden Magazin (2): 8-14
K. D. Kallman (1989): Genetic Control of Size at Maturity in Xiphophorus. Ecology & Evolution of Livebearing Fishes (Poeciliidae): 163-184
Langhammer, J.K. (1997) Additional thought on gravid spots Livebearers vol 149: 26-27
J.K. Langhammer (1999): New Phylogenetic relationships proposed for Xiphophorine species. Livebearers (155): 27-28
E. Marcisz (1986): The goldburst platy - an F1 hybrid. Livebearers (91): 3-4
M.K. Meyer & M. Schartl (1981): Eine neue Xiphophorus-Art aus Vera Cruz, Mexiko. DGLZ-Rundschau (3): 34-38
W. Noack (1980): Op zoek naar nieuwe vissoorten. TI'H (23): 28-29
A.C. Radda (1982): Synopsis der Gattung Xiphophorus Heckel. DGLZ-Rundschau (2): 25-30
A. Savastio (1985): A cross between a wild & domestic swordtail. Livebearers (82): 7-7
R. Serva & G. Tash (1997): In sort of the "wild" red swordtail (amongst other things). Viviparous (39): 0-
S. Teutloff (1989): Auch ein Schwertschwansplaty.... ZAG Lebendgebärende Zahnkarpfen (2): 1-3
L. Wischnath (1980): Een nieuwe zwaardplaty uit Mexico. TI'H (23): 28-28
L. Wischnath (1981): Naar Mexico, het land van de levendbarende vissen. TI'H (24): 35-37
L. Wischnath (1982): Naar Mexico, het land van de levendbarenden. TI'H (29): 39-41
L. Wischnath (1996): Wildvormen van het geslacht Xiphophorus deel 3 - platy's. Het Aquarium (1): 7-9


Tekst: Kees de Jong .
Foto`s: Leo van der Meer.
Kweker X.andersi : Kees de Jong.

zondag, december 07, 2008

Guppen 2

Guppen, beginnersvissen voor de specialist deel II

Filegreen guppy (Rob Starmans)


Gedrag en voortplanting:
Over het algemeen is de gup een levendige en vitale vis. Guppen zijn
altijd bezig. Een groot deel van de dag vullen de vissen met het afgrazen
van planten en decoratiemateriaal op zoek naar algen.
Guppen behoren tot de familie der levendbarende tandkarpers en brengen
volgroeide jongen ter wereld. De eitjes komen in het lichaam van het
vrouwtje tot ontwikkeling. Bij de gup worden de jongen gedurende de
embryonale ontwikkeling niet door de moeder gevoed. Er is dus eigenlijk
sprake van een verregaande vorm van broedzorg. Vlak voor de geboorte
doorbreken de jongen het eiomhulsel. De gup wordt dan ook wel eilevendbarend
of ovovivipaar genoemd. Deze vorm van voortplanten vereist
dat het sperma van het mannetje in het lichaam van het vrouwtje gebracht
wordt. Dit is mogelijk door een aantal aanpassingen.De meest
opvallende is wel de duidelijk andere vorm van de aarsvin van het
mannetje. Door de vergroeiïng van een aantal vinstralen is een orgaan
ontstaan dat geschikt is voor inwendige bevruchting: het gonopodium.
Aan het eind van het gonopodium zit een aantal haakjes.

Venuzuala (Rickling Bremen).
Deze spelen een belangrijke rol bij de voortplanting. Het beschadigen van het gonopodium
levert dan ook problemen op bij de paring. Hoewel dit mannelijke geslachtsorgaan
een enigszins regenererend vermogen heeft, maakt een te
ernstige beschadiging het mannetje ongeschikt voor de kweek.
Voordat het tot een paring komt, wordt er door de mannetjes een
uitgebreide balts uitgevoerd. Tijdens de balts zwemt het mannetje trillend
en met samengeknepen vinnen in de buurt van het vrouwtje. Gedurende
de balts kan een aantal zwarte vlekken op het lichaam van het mannetje
intensiever kleuren. De kleuren van het mannetje spelen een belangrijke
rol bij de bereidheid van de vrouwtjes om tot een paring te komen.
Wanneer er vijanden aanwezig zijn, is het mannetje tijdens deze
intensieve balts kwetsbaar. Al zijn energie en aandacht is op het vrouwtje
Alvorens dit artikel te lezen is het goed het eerste deel nog eens door
te nemen dat is opgenomen in no.6 van 2003 dat echter begin dit jaar
is verschenen.

Roleo Endler creatie door toeval (Leo en Rob)
van zijn dromen gericht. Onderzoek van JOHN A. ENDLER heeft
aangetoond dat de aanwezigheid van predatoren, in dit geval een
snoekcichlide Crenicichla alta, van invloed is op de balts. Wanneer zijn
leven in gevaar komt tijdens de balts, zal het mannetje deze achterwege
laten en zijn toevlucht nemen tot een snelle paringspoging. Pas wanneer
de lichtintensiteit lager wordt gaat het mannetje weer over op een
uitgebreide balts met een grotere kans op een succesvolle paring.
Hoewel het vrouwtje een passieve rol lijkt te spelen ten opzichte van het
uiterst actieve mannetje, is haar gedrag voor een succesvolle bevruchting
van het grootste belang. In de meeste gevallen zal het vrouwtje niet
bereid zijn tot paring. Ze kan dit op drie manieren aan het mannetje
duidelijk maken. In de eerste plaats door
weg te zwemmen. In de twee plaats door
zich tegen de bodem aan te drukken,
waardoor het mannetje haar niet van
onderen kan benaderen. De meest extreme
afwijzing is bijten naar het te enthousiaste mannetje.
Pas wanneer het vrouwtje stil staat kan het mannetje de spermapakketjes
of spermatoforen overbrengen. Hiervoor draait hij zijn gonopodium naar
voren en haakt dit met behulp van de kleine haakjes aan het uiteinde aan
het vrouwtje vast. Vervolgens worden de spermapakketjes overgebracht.
Vroeger bestond de indruk dat het voor een paring niet noodzakelijk zou
zijn dat er fysiek contact tussen het mannetje en het vrouwtje plaats zou
vinden. Men ging ervan uit dat de mannetjes hun sperma in de richting
van de vrouwtjes schoten en dat deze het dan in het lichaam opnamen.
Later onderzoek heeft aangetoond dat het voor een overdracht van
spermapakketjes wel noodzakelijk is dat er contact tussen het mannetje
en het vrouwtje plaatsvindt. De meeste pogingen van het mannetje
houden dan ook geen bevruchting van het vrouwtje in.

Rood Blond (Aquarium winkel)
Indien er wel sprake is van een bevruchting, dan zal het vrouwtje een
aantal spermapakketjes opslaan. Hoewel deze eigenschap vaak 'voorraadbevruchting'
wordt genoemd, is het beter om van 'het in voorraad
hebben van sperma' te spreken. Voordat er nieuwe eitjes worden
bevrucht, moeten deze zich na het werpen van de jongen nog
ontwikkelen. Wanneer de eitjes rijp zijn, worden ze door het in het
lichaam aanwezige sperma bevrucht. De voorraad sperma is voldoende
om tot ongeveer acht maal jongen te werpen. Het aantal jongen dat na de
derde worp wordt geboren, daalt snel omdat de spermavoorraad steeds
POECILIA NIEUWS 3/2004 - PAGINA 26
meer uitgeput raakt. Het opslaan van sperma komt overigens bij alle
levendbarende tandkarpers, dus ook bij zwaarddragers en molly's, voor.
Een bevrucht vrouwtje kan dus al de basis voor een groot aantal jongen
vormen. Zeker in de natuur is dit een groot voordeel. Eén geïsoleerd
vrouwtje is voldoende voor een nieuwe populatie levendbarende
tandkarpers.

Filegreen Endler (Rob starmans).


Wanneer de omstandigheden goed zijn werpt het vrouwtje ongeveer eens
in de vier weken jongen. Is er sprake van ongunstige omstandigheden,
bijvoorbeeld een lage temperatuur of onvoldoende voedsel, dan zal het
vrouwtje de bevruchting van de in het lichaam aanwezige eitjes uitstellen
tot het moment dat zich gunstiger omstandigheden voordoen. Overigens
kan een bevrucht vrouwtje altijd met een ander mannetje paren. Voor de
bevruchting van de eitjes zal ze het meest verse sperma gebruiken.
De hoeveelheid jongen per worp wordt door een groot aantal factoren,
waaronder de temperatuur, de voeding van de kweekstam en de gezondheidstoestand
van het vrouwtje, bepaald. Het aantal jongen per worp kan
variëren van tien tot meer dan honderd.
Kweekvormen
Het gros van de guppen dat tegenwoordig in het aquarium wordt
gehouden, verschilt dusdanig van de visjes die in 1908 werden ingevoerd,
dat het soms lijkt of het om een andere soort gaat. De tegenwoordig
gehouden vormen zijn dan ook bijna allemaal kweekvormen. Er zijn niet
veel aquariumvissen waarvan zoveel kleur- en vormvariëteiten zijn als bij
de gup. Naast het feit dat de guppen per plaats van herkomst van vorm en
kleur verschillen, treden er redelijk snel mutaties op. Deze mutaties
kunnen zowel betrekking hebben op de kleur als de vorm van de vinnen.
In de natuur maken deze veranderingen de vissen extra kwetsbaar voor
mogelijke predatoren, maar in de beschermde omgeving van het
aquarium zullen ze in leven blijven. Het selectief kweken van deze
mutaties en het kruisen van de verschillende wildvormen dienden als
basis voor de vele op dit moment aanwezige variëteiten.
Reeds lange tijd worden er door kwekers over de hele wereld guppen
gekweekt. Onderling worden er door de kwekers wedstrijden
georganiseerd waarin de guppen worden beoordeeld.

Kleur onbekend (aquarium winkel)

Binnen Europa
hebben de in het kweken van guppen gespecialiseerde verenigingen zich
georganiseerd in het Internationales Kuratorium Guppy Hochzucht
(I.K.G.H.). Deze organisatie heeft keuringsregels uitgevaardigd aan de
hand waarvan de guppen worden gekeurd. Binnen Europa wordt een
POECILIA NIEUWS 3/2004 - PAGINA 27
aantal tentoonstellingen gehouden. De resultaten van deze tentoonstellingen
zijn de basis voor het Europees kampioenschap. In Nederland
is POECILIA NEDERLAND bij de I.K.G.H. aangesloten; voor België is dit
de B.G.V., de Belgische Guppy Vrienden.
Bij de guppententoonstellingen wordt er aan de hand van een aantal
kenmerken gekeurd. Op dit moment worden alleen de mannetjes gekeurd.
Elke kweker stuurt per inzending drie zoveel mogelijk op elkaar lijkende
mannetjes in. Vrouwtjes worden op dit moment slechts af en toe, bij
wijze van proef, gekeurd. De nadruk ligt bij de keuring op de vorm van
de vinnen, de basis- of grondkleur en de dekkleur.

Rood blond (Kees de Jong).

Het meest in het oog springende kenmerk is de vorm van de vinnen. Bij
elke staartvorm hoort een bepaalde vorm van de rugvin. Hoewel er een
groot aantal vormen te onderscheiden is, wordt over het algemeen de
triangelgup te koop aangeboden. Deze vorm bezit een grote, breed
uitlopende staart. Ook zwaardguppen worden af en toe in de winkel
aangetroffen. Bij deze vorm is de boven- en/of onderkant van de staart
zwaardvormig verlengd. De vormen met de korte vinnen, zoals de spadeen
de rondstaart, treft men praktisch alleen bij gespecialiseerde
liefhebbers aan. Alleen al over de kleuren die we bij de guppen aan
kunnen treffen, zou een heel boek kunnen worden geschreven. De bonte
mengeling van kleuren zoals die bij een winkelier te zien is bij een groep
mannetjesguppen, zal altijd de ogen naar zich toe trekken. De kleuren van
de gup zijn in twee soorten te verdelen: de basis- of grondkleur en de
dekkleuren.

Bleu Top Sword Endler (August van Rijn)


Onder de grondkleur wordt de kleur van de schubben verstaan. Over deze
kleur liggen vaak de fraaie dekkleuren, waardoor de grondkleur vaak
slecht is te zien. Op de kop van de gup, waar geen dekkleuren op zitten, is
de grondkleur vast te stellen. De meest bekende grondkleur is de
dominante (overheersende) wildkleur. Naast de dominante wildkleur
komen ook nog recessieve oftewel ondergeschikte (blond, blauw, goud en
albino) en drie dubbelrecessieve grondkleuren (crème, zilver en wit)
voor. Voor de kweek is de vraag of er sprake is van een dominante, recessieve
of dubbelrecessieve grondkleur van het grootste belang. De
dekkleuren variëren van rood, paars en geel tot zwart. Ook zijn er
bepaalde tekeningen zoals de slangehuid-kleurslag, waarbij er sprake is
van een fijne tekening van zwart en geel. De combinatie van grondkleur,
dekkleur en vorm van de vinnen heeft er voor gezorgd dat er een enorme
variëteit aan mannetjes bestaat.

Tiger hybride onder,boven Roleo (Creatie Endlers).

Hoewel de vrouwtjes vaak minder
opvallend van vorm en kleur zijn, spelen ze een belangrijke rol voor de
kwaliteit van het nageslacht. Niet alleen de zichtbare kenmerken, maar
ook de aanwezige recessieve kenmerken zijn van belang bij de kweek.
Veel informatie over de erfelijkheidsleer bij guppen is te vinden in het
boek Der Guppy van HANS-GÜNTER PETZOLD.
Om te komen tot een goede kweekstam, waarbij de jongen zoveel
mogelijk op hun ouders lijken, is veel geduld en kennis nodig. Zeker
wanneer wordt begonnen met enkele vissen uit de winkel is een bijna
eindeloos geduld nodig. Meestal gaat het bij de op deze wijze verkregen
guppen om mannetjes en vrouwtjes uit verschillende stammen, waarvan
niets over de niet-zichtbare kenmerken bekend is. De nakweek van twee
van dergelijke dieren hoeft dan ook in het geheel niet op de ouders of
zelfs maar op elkaar te lijken. Het is dan ook beter om van een
gevorderde kweker enkele vissen uit een redelijk vast verervende stam te
krijgen. Onze vereniging op het gebied van levendbarende tandkarpers
biedt hiertoe goede mogelijkheden.

Spontane naald staart Roleo (Leo van der Meer).


Het hebben van een goede kweekstam is niet per definitie een garantie
voor succes. Niet alle kweekvormen zijn even makkelijk te kweken. De
guppen met een recessieve of een dubbel-recessieve grondkleur zijn
bijvoorbeeld veel minder vruchtbaar dan de vissen met de wildkleur. Om
mooie gezonde nakweek te krijgen moet ook aan de opfok van de jongen
de nodige tijd worden besteed. Af en toe een beetje droogvoer op het
water strooien is zeker niet voldoende.
In dit artikel zijn een aantal aspecten met betrekking tot de gup aan de
orde gekomen. Het is echter nog maar het topje van de ijsberg. Niet voor
niets worden er complete boeken en veel (wetenschappelijke) artikelen
aan deze interessante vis gewijd. Ik hoop echter dat het duidelijk is
geworden dat de gup veel meer dan levend voer is.

Ook in de nutuur ontstaan creatie`s zie boven.

Literatuur:
Petzold, Hans-Günter Der Guppy, A. Ziemsen Verlag 1988, ISBN 3-7403-0164-3
Posseckert, Bernd "Die Schwerttypen....ein Rückblick", ZAG Lebendgebärende
Zahnkarpfen, 3/87
Meffe, Gary K & Franklin F. Snelson Ecology & evolution of livebearing fishes
(Poeciliidae), Prentice Hall 1989, ISBN 0-13-222720-7
Endler, John A. "Predation, light intensity and courtship behaviour in Poecilia reticulata
(Pisces: Poeciliidae)", Animal Behaviour 1987, blz. 1376-1385
Luckmann, Hans Guppen, Thieme & Cie Zutphen 1979, ISBN 9003 919704
Merino, Juan-Carlos "De 'Don Juan' onder de guppen", Poecilia Nieuws 5/93
Hieronimus, Harro "Was ist eigentlich 'Endlers Guppy'?" DGLZ Rundschau 4/92
Schröder, J.H., Erfelijkheidsleer voor de aquariumhouder, Thieme-Zutphen
Foto`s Leo van der Meer.
Tekst Kees de Jong.

maandag, november 17, 2008

Guppen

Guppen, beginnersvissen voor de specialist.
Een guppy uit Cayan ( Johan Ezeman.)
De gup heeft de laatste jaren bij de gemiddelde aquariaan geen al te beste
naam. Vaak wordt dit visje hooguit als een beginnersvisje gezien. Op zich is
deze benaming logisch. De meeste aquarianen zullen de gup nog kennen als
een van de vissen waarmee ze zijn begonnen. Er was altijd wel iemand die
een aantal vissen over had en een deel van zijn guppen aan een beginner
wou afstaan. Je zou eigenlijk verwachten dat aquarianen toch enigszins trouw
zouden blijven aan het visje dat hun tijdens hun eerste schreden op het - af en
toe grillige - pad van het aquariumhouden zoveel plezier heeft geschonken.
Wie herinnert zich niet de vreugde en ook verbazing bij het zien van de eerste
guppy`s in zijn aquarium.
Een guppy uit Guyana.( Rob Starmans).
Al deze eerste ervaringen lijken voor de meesten echter snel vergeten en op veel aquariumverenigingen wordt dan ook gesproken van ‘levend voer’ wanneer het over de gup gaat. Iemand die na jarenlang aquariumhouden nog steeds met het houden en kweken van
guppen bezig is, wordt dan ook vaak enigszins wantrouwend bekeken.


Zwarte Endler Venuzuela ( Fred Poeser).
Toch zijn er aan het eenvoudige guppy een groot aantal aspecten die het tot
een interessante aquariumvis maken. In de loop der jaren zijn er grote
hoeveelheden guppen gekweekt en in deze periode is er nogal wat gebeurd
met de soort. Naast de vele interessante kweekvormen, waarop in het laatste
deel van dit artikel wordt teruggekomen, zijn ook andere aspecten aan de
gup de moeite waard om te noemen. Een aantal worden hier belicht.


Guppy uit Jamaica ( Johan Ezeman).
De eerste guppen :
In de beginjaren van de aquariumliefhebberij werd elke nieuwe import nog
als iets bijzonders beschouwd. Aan het eind van de vorige eeuw bestonden
er nog geen importfirma’s die de vissen met miljoenen tegelijk aanvoerden.
Het waren zeelieden die op hun reizen af en toe enige vissen als bijverdienste
meenamen. Natuurlijk overleefde een groot aantal van de vissen de reis
onder uiterst primitieve omstandigheden niet.


Guppy Trinidad ( Leo van der Meer).

In eerste instantie werden er voornamelijk eierleggende vissen geïmporteerd.
De eerste levendbarende vis werd in 1898 ingevoerd. In dat jaar kwamen de
eerste exemplaren van Phalloceros caudimaculatus naar Europa. Het feitdat zo’n klein visje levende jongen kan baren, was in die tijd, en niet alleen in
aquariumkringen, een regelrechte sensatie. Er ontstond dan ook snel een
enorme vraag naar deze soort. Voor dit visje werd dan ook een bedrag betaald
dat gelijk was aan het bedrag dat een gemiddelde fabrieksarbeider per jaar
verdiende.

Poecilia velifera (Kees de Jong).
Gezien de populariteit en het hoge bedrag dat er voor Phalloceros caudimaculatus
werd betaald, loonde het al snel de soort op commerciële basis te
kweken. Hierdoor kwamen levendbarenden voor iedereen beschikbaar. Ook
andere soorten levendbarende tandkarpers werden al snel ingevoerd. Enkele
andere soorten die rond de eeuwwisseling zijn ingevoerd, zijn: Gambusia
holbrooki, Cnesterodon decemmaculatus, Poecilia latipinna (de
zeilvintandkarper) en Girardinus metallicus (het metaaltandkarpertje).
De eerste gup werd in 1908 uit Venezuela geïmporteerd.


Yellow Top Sword Endler (Marco Hamerslag).
Vooral door zijn
fraaie kleuren was dit visje direct enorm populair onder aquariumliefhebbers.
Dat de soort over het algemeen niet moeilijk te kweken is, bleek al snel. In
december 1908 wordt er melding gemaakt van de eerste 12 nakweekguppen
in Duitsland. In de navolgende jaren volgt er nog een groot aantal importen.
Red Chest Endler (Marco Hamerslag).
Het feit dat de mannetjes per vangplaats erg van kleur kunnen verschillen en
het feit dat de vrouwtjes duidelijk anders van vorm en kleur zijn, heeft er voor
gezorgd dat er in eerste instantie een grote naamsverwarring heerste. Zo
was de wetenschappelijke naam voor guppen afkomstig uit Barbados
Girardinus poecilioides en werden de guppen uit Trinidad Girardinus
guppii genoemd. De naam guppy is een eerbetoon aan dominee ROBERT
JOHN LECHMERE GUPPY (1836-1916), die veel wetenschappelijk onderzoek op
Trinidad heeft gedaan. Zijn naam is op dit moment over de hele wereld
verbonden met deze kleine levendbarende tandkarper.
De naamsverwarring rond de gup speelde een groot aantal jaren. Het gaat te
ver om in dit artikel alle synoniemen te vermelden. Uiteindelijk werd als correcte
wetenschappelijke naam Poecilia reticulata PETERS 1859 geaccepteerd.


Poecilia wingei Venuzuela (Marco Hamerslag)


Men noemt ze ook wel Black Bar Endler .
Verspreiding:
Het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de gup loopt van het noorden
van Brazilië, Venezuela en Guyana tot aan een deel van de Antillen, Trinidad
en Barbados. Tussen de verschillende gebieden bestaan variaties in kleur envorm van de guppen. Deze in aanleg aanwezige verschillen zijn voor kwekers
de basis geweest om te komen tot de vele op dit moment bekende
staartvormen. Met name het vinnenstelsel verraad iets over de oorspronkelijke
herkomst van de gup. Zo ontstonden uit de Trinidadguppen de kort
staartvormen, stammen de zwaardguppen af van wildvangvissen uit Barbados
en vormden de dieren van het vasteland de basis voor de ontwikkeling van
de grootvinnige typen (bijv. de bekende triangel).

Groene Surinamer genaamd (Rob Starmans).


Op dit moment is het zo dat de gup in bijna alle tropische gebieden van de
wereld kan worden aangetroffen. Het feit dat de vis op veel plaatsen is uitgezet
voor de bestrijding van malaria speelde een belangrijke rol bij deze verspreiding.
Doordat de gup veel muggelarven eet, heeft malaria een kleinere kans om zich
te verspreiden. Overigens zijn de resultaten voor wat betreft de bestrijding van
malaria door het uitzetten van de gup en andere levendbarende tandkarpers
(vooral Gambusia holbrooki) nogal wisselend. In sommige gevallen werd
veel succes geboekt, terwijl op andere plaatsen geen afname van malaria te
constateren viel. Op dit moment worden er op Curaçao speciaal voor dit doel
gekweekte guppen in de aanwezige waterputten uitgezet.
Een groot probleem bij deze faunavervalsing is dat vaak oorspronkelijk in het
gebied voorkomende soorten door de nieuwe bewoners worden verdrongen.
Vooral de zich snel voortplantende en zich uitstekend aanpassende
levendbarende tandkarpers kunnen een bedreiging vormen voor de aanwezige
inheemse vissen.

Flame tail Endler Let op de staart van de man.(marco Hamerslag).
Het bekendste voorbeeld is wel de rol die Gambusia
holbrooki speelt bij het bijna verdwijnen van de eierleggende tandkarpersoorten
rond de Middellandse Zee.
Naast de verspreiding door wetenschappers ter bestrijding van malaria zijn
er ook guppen door het toedoen van aquarianen op vele plaatsen terecht
gekomen. Zo zijn er dit moment op vele plaatsen in de Verenigde Staten
guppen te vinden. Het gaat hierbij voornamelijk om niet langer gewenste
aquariumvissen. Verder zijn er guppen op vele plaatsen in Afrika en het
Verre Oosten te vinden. Ook in Europa komt de gup voor. Poecilia reticulata
wordt in Europa aangetroffen in warmwaterbronnen (bijvoorbeeld in
Hongarije) en op plaatsen waar het hele jaar koelwater aanwezig is
(bijvoorbeeld bij de Hoogovens in IJmuiden).

Men vraagt vaak van wie ik de vissen gekregen krijg voor een foto, van af nu staat dat ook bij iedere foto samen met de vangplaats vermeld.


Guppy uit Venuzuela ( Johan Ezeman).


Tekst Kees de Jong.
Foto`s Leo van der Meer.
Wort vervolgd.