zondag, februari 22, 2009

In Memoriam Lucia 06-12-1968 - 20-02-2009

Veel te vroeg heen gegaan !!!!!!
Mijn aller liefste vrouw Lucia mede oprichter van deze site is veel te vroeg heen gegaan.



Mocht u Leo van der Meer een Condolatie kaartje willen sturen is deze uiteraard erg welkom.

Leo van der Meer
Mata Harihof 1
1087 HS Amsterdam
Nederland.

donderdag, februari 19, 2009

Poeciliopsis gracilis (Heckel, 1848).

Poeciliopsis gracilis (Heckel, 1848)



Synoniemen:
Xiphophorus gracilis Heckel, 1848
Gambusia heckeli Bleeker, 1860
Hemixiphophorus gracilis Bleeker, 1892

Verspreidingsgebied:
Het verspreidingsgebied van Poeciliopsis gracilis beperkt zich tot de Atlantische kant van Mexico, van de staat Veracruz tot aan het Río Coatzacoalcos stroomgebeid in Oaxaca. In oude literatuur wordt voor deze soort vaak een veel groter gebied genoemd. Recent is het inzicht ontstaan dat in dit gebied meerdere soorten voorkomen en niet alle gevlekt Poeciliopsis-soorten P. gracilis dienen te heten (Miller 2005, Bussing 2008)


Kenmerken:
Een slank visje waarvan de vrouwtjes maximaal 6 cm groot worden. De mannetjes blijven twee centimeter kleiner. Kenmerkend voor deze soort zijn de zwarte vlekken op de zijkant van het lichaam. Het aantal onregelmatige vlekken verschilt per individu. Of de vlekken goed zichtbaar zijn, hangt af van de stemming van de visjes. Soms overheerst de metalen grondkleur. Beide geslachten hebben dezelfde tekening. De vrouwtjes hebben een wat vollere bouw en de mannetjes zijn te herkennen aan het lange gonopodium dat net als bij de andere soorten uit het genus Poeciliopsis tot aan de staartwortel komt.


Verzorging en kweek:
Deze levendbarende tandkarper is eenvoudig te houden en voor een gezelschapsaquarium geschikt. Het is een echte alleseter, zodat aan het voer geen bijzondere aandacht hoeft te worden geschonken. De watertemperatuur moet rond de 24°C liggen. Onderling zijn de vissen erg actief, als de mannetjes niet druk bezig zijn om concurrenten bij de vrouwtjes weg te jagen, doen ze bijna onvermoeibaar pogingen om een vrouwtje te bevruchten. De lengte van het gonopodium (= het tot een geslachtsorgaan omgevormde aarsvin, waarmee het mannetje sperma bij het vrouwtje inbrengt) stelt het mannetje in staat om de punt hiervan te zien en dit maakt het contact maken met de geslachtsopening van het vrouwtje eenvoudig ,zodat de medewerking van het vrouwtje aan de voortplanting minder van belang is. Net als alle andere soorten levendbarende tandkarpers waarvan het mannetje een lang gonopodium heeft, is er geen balts. P. gracilis laat andere aquariumbewoners met rust en kan dus prima met andere soorten worden samengehouden.

De voortplanting van deze soort roept af en toe wel vragen op. Soms wordt vermeld dat er met enige tussentijd enkele jongen worden geboren (Vente 1982) en dat er bij deze soort dus sprake is van superfoetatie. Andere auteurs vermelden dat het naast superfoetatie ook gebeurt dat alle jongen in één worp worden geboren (Stallknecht 1989, Lambert). Dit sluit aan bij mijn vroegere ervaringen. In veel gevallen en dan vooral bij jongere vrouwtjes zwemmen er af en toe enkele jongen in het aquarium, terwijl bij grote vrouwtjes er ineens een grote groep jongen in het aquarium zwemt. Naar dit aspect heb ik echter geen nauwkeurig onderzoek gedaan. Als het zo is dat bij één vrouwtje inderdaad zowel superfoetatie als het werpen van een groep jongen voorkomt, is dat zeer bijzonder. Mij zijn geen wetenschappelijk artikelen over het voorkomen van deze vorm van voortplanting binnen één soort of zelfs één vrouwtje bekend. Een verklaring zou kunnen zijn dat er de laatste jaren verschillende populaties door elkaar zijn gehouden, populaties die nu zelfs als apart soorten worden gezien. Hierdoor kunnen een soort met en zonder superfoetatie in één aquarium zijn gehouden. Ook kunnen er hybriden geboren zijn, waarbij deze bijzonder voortplanting is ontstaan. Binnen het genus Poeciliopsis is het bekend dat sommige hybriden een afwijkende voortplanting hebben. Zo zijn er bij deze hybridisering vrouwtjes ontstaan die alleen vrouwelijke nakomelingen krijgen (Schultz 1989).

De ouders vormen geen bedreiging voor de pasgeboren vissen en het is heel goed mogelijk om deze soort in een school te kweken.


Opmerkingen:
Mateos et al. stellen dat een P. gracilis –complex is, waarin nog een aantal gespikkelde Poeciliopsis-soorten zijn ingedeeld. Vente geeft aan dat P. gracilis in 1913 voor het eerst in Europa is ingevoerd. De eerste informatie over het feit dat de soort in Nederland werd gehouden is afkomstig uit het begin van de tachtiger jaren van de vorige eeuw.
Bussing (2008) schrijft dat Heckel bij de beschrijving van P. gracilis een heel ander visje voor zich had. In plaats van een vis met zwarte vlekken gaat het in de beschrijving om eentje met een donkere lengestreep. Verder onderzoek moet duidelijk maken hoe dit precies zit.


Tekst: Kees de Jong
Foto`s: Leo van der Meer.


Literatuur:
W.A. Bussing 2008. A new species of poeciliid fish, Poeciliopsis santaelena, from Peninsula Santa Elena, Area de Conservación Guanacaste, Costa Rica. Rev. Biol. Trop. Vol. 56 (2): 829-838.
J. Heckel 1848. Eine neue Gattung von Poecilien mit rochenartigem Anklammerungs-Organe. Sitzber. K. Akad. Wiss. Wien (1): 289-303
K. de Jong 1988. Poeciliopsis gracilis. Poecilia Nieuws (1): 7-10
D. Lambert Poeciliopsis gracilis (Heckel, 1848). Viviparous (18): 0-
M. Mateos, O.I. Sanjur & R.C. Vrijenhoek 2002. Historical biogeography of the livebearing fish genus Poeciliopsis (Poeciliidae: Cyprinodontiformes). Evolution (5): 972-984.
R.R. Miller 2005. Freshwater fishes of Mexico. University of Chicago Press. Chicago. Illinois, USA.
J. Schultz 1989. Origins and relationships of unisexual Poeciliids. In: G. Meffe & F.F. Snelson (ed). Ecology and evolution of livebearing fishes (Poeciliidae). Prentice Hall – Englewood Cliffs, New Jersey
H. Stallknecht 1989. Lebendgebärende Zahnkarpfen. Neumann Verlag – Leipzig; RadebeulJ. Vente 1982. Onopvallend maar interessant, Poeciliopsis gracilis. Het Aquarium (7): 193-194

zondag, februari 01, 2009

Allodontichthys tamazulae.

Allodontichthys tamazulae.



Nederlandse naam: Geen


Verspreidingsgebied:
Río Tuxpan (onderdeel van het Río Coahuayana-stroomgebied) in de Mexicaanse staten Jalisco en Colima.
De typelocatie is Río Tamazula. Deze snelstromende rivier heeft een bodem die bedekt is met rolkeien. Het lijkt alsof elke vis zijn eigen territorium heeft die zich in de buurt van een steen bevindt en die tevens als schuilplaats dienst doet.


Kenmerken:
De soorten uit het genus Allodontichthys zijn langgerekt van vorm.
Op het lichaam bevindt zich een lengtestreep die bij oudere dieren minder uitgesproken wordt. Sommige vissen hebben op de bovenzijde van het lichaam donkere vlekken. Bij mannen is dit meer het geval dan bij vrouwtjes. De vis is tamelijk variabel van tekening.
In de soortbeschrijving door TURNER (1946) wordt gesproken van vissen met een lengte van 3 tot 4 cm. Het is inmiddels duidelijk dat de vissen veel groter kunnen worden tot soms wel 10 cm lengte.


Verzorging en kweek:
Gezien hun grootte hebben de vissen een aquarium nodig van minimaal 80 cm lengte. Het aquarium dient goed afgedekt te zijn, want deze soort springt uitstekend. Hoewel onder andere door HIERONIMUS (1995) beschreven is dat de vis erg territoriaal is, is daarvan in
het aquarium niet of nauwelijks sprake. Ze kunnen zonder problemen in een grotere kweekgroep worden gehouden.
Stromend water is niet noodzakelijk. Wel is het nodig ruim water te verversen. Afhankelijk van de bakbezetting 30-50% per week. Indien niet voldoende water wordt ververst zal de kweek moeizamer verlopen of zelfs helemaal niet lukken.
Met voer zijn ze bij mij gemakkelijke kostgangers, zowel levend voer, diepvries als droogvoer wordt vlot gegeten.


In de winter houd ik mijn dieren op een lage temperatuur, zo tussen 12 en 15°C. Ze zijn dan veel rustiger en eten veel minder. Eén of twee keer per week weinig voeren is dan voldoende.
Als in het voorjaar de temperatuur stijgt, worden de vissen levendiger.
Ze zijn dan gulzige eters. Ze laten regelmatig baltsgedrag zien, dat er overigens heel ingetogen uitziet. Als in april de temperatuur van het water boven 18°C komt dan kunnen we in de loop van mei of begin juni de eerste jongen verwachten.
De vrouwtjes kunnen tamelijk dik worden. Afhankelijk van de grootte van het vrouwtje is het aantal jongen tussen 5 en 20 per worp. De jongen worden tamelijk groot geboren, de lengte bedraagt meer dan een centimeter. De volwassen vissen jagen fel op de jongen.
Het is daarom noodzakelijk drachtige vrouwtjes tijdig apart te zetten in een bakje van ongeveer 10 liter met veel planten. De dieren dienen met zo weinig mogelijk stress uitgevangen te worden. Onder invloed van stress kunnen ze hun jongen voortijdig werpen. Die zullen dan levenloos geboren worden. In een normale worp is het ook vrij gewoon dat enkele dieren dood geboren worden. De jongen groeien verder gemakkelijk op, maar zijn geen snelle groeiers.
Wegens het jagen op de jongen is het niet nuttig deze soort buiten te houden. Wel heeft het voor een krachtige ontwikkeling van de jonge dieren zin om ze als jonge dieren, van een jaar oud, een seizoen buiten te houden.

Opmerkingen:
De soorten van het geslacht Allodontichthys lijken erg op elkaar. Het
is vakwerk om ze juist op naam te brengen. Doorgaans zal de juiste
50 51 naam af te leiden zijn uit het vanggebied.

Tekst: Kees de Jong.
Foto`s: Leo van der Meer.

TIP:Voor meer informatie kijk eens op internet naar Poecilia Nederland.

zaterdag, januari 17, 2009

De goodeïden

De goodeïden.



Bij levendbarende aquariumvissen vormen de uit Mexico afkomstige
goodeïden een aparte groep waarin 41 soorten zijn opgenomen. Deze
vissen hebben een afwijkende voortplanting; er is veel uitwisseling
van voedingsstoffen tussen moeder en jong en de mannetjes
hebben een uniek gevormde aarsvin om de vrouwtjes te bevruchten.
De goodeïden zijn nog niet zo lang als aquariumvissen beschikbaar
en hun aanwezigheid in Nederland loopt parallel aan de opkomst van
Poecilia Nederland. Begin jaren tachtig kreeg de vereniging via de toenmalige voorzitter de heer J.VENTE de beschikking over de eerste vissen uit deze interessante groep.
Naast de bekende Ameca splendens en Xenotoca eiseni bereikten via zijn contacten met A. RADDA uit Wenen ook Chapalichthys pardalis, Ilyodon whitei en I. xantusi (tegenwoordig I. furcidens genaamd) Nederland. Meestal werd de populaire naam hooglandkarpers
gebruikt. Een naam die geen recht doet aan deze vissen.
Ze komen niet allemaal uit het hoogland en zijn al helemaal geen karperachtigen.
Tegenwoordig wordt als populaire naam meestal goodeïden gebruikt.

Over de goodeïden was in die tijd niet veel informatie beschikbaar.
Zeker in de Nederlandse literatuur was er weinig over te vinden.
Een eerste overzichtsartikel werd geschreven door J.VENTE en verscheen
in het tijdschrift Dieren.
In de jaren daarna kwam er telkens meer informatie beschikbaar.
De goodeïden werden het onderwerp van divers wetenschappelijk onderzoek en de vele artikelen hierover bieden nuttige informatie.
Binnen Poecilia Nederland is altijd een groep leden geïnteresseerd in
het houden en verzorgen van deze vissen. Door vele contacten met
het buitenland en importen van eigen leden zijn veel soorten in de
Nederlands aquaria gehouden en gekweekt.

In het clubblad Poecilia Nieuws zijn de ervaringen van de afgelopen 25 jaar door de leden
verwoord.
Het houden en vooral kweken van de goodeïden wordt extra belangrijk omdat steeds duidelijker wordt dat het biotoop van veel van deze soorten wordt bedreigd. De verspreiding concentreert zich tot westelijk centraal Mexico en juist in dit gebied is sprake van een grote bevolkingsgroei. De vervuiling van het verspreidingsgebied heeft, afhankelijk van de soort, meer of minder impact.
Sommige, zoals de genera Goodea en Ilyodon, blijken hier binnen bepaalde grenzen redelijk
tegen bestand. Andere, zoals het genus Allotoca, verdwijnen of worden teruggedrongen tot een klein gedeelte van het oorspronkelijke gebied.
De toenemende bevolkingsdruk brengt ook extra verbruik van het aanwezige water met zich mee. Zeker in jaren waarin weinig neerslag valt, verdwijnen veel biotopen. Een aantal soorten heeft een klein verspreidingsgebied en door het verdwijnen van een biotoop kan
daardoor een soort uitsterven.


Ook door de mens geïntroduceerde soorten vormen een extra gevaar voor de inheemse soorten. De karper en Afrikaanse cichliden worden als extra eiwitbron uitgezet. Soorten die interessant zijn voor sportvissers, zoals Noord-Amerikaanse baarzen, worden ook 34 35 geïntroduceerd.
Hoofdstuk 2 Ilyodon xantusi, Characodon lateralis, geboorte van een jong
Ook allerlei aquariumvissen zoals b.v. guppen worden tegenwoordig gevonden in de biotopen
van de goodeïden. Al deze exoten verhogen de druk door voedselconcurrentie, predatie, introductie van ziekten en verstoring van het gedrag.
Het voortbestaan van een aantal soorten hangt door bovenstaande factoren aan een zijden draadje en is mede afhankelijk van in aquaria gehouden populaties. Veel soorten worden
in de natuur als ernstig bedreigd beschouwd. Characodon garmani is uitgestorven, er zijn alleen nog enkele geconserveerde exemplarenaanwezig.
Zowel Skiffia francesae als Zoogoneticus tequila werden verondersteld alleen nog in het aquarium voor te komen, maar bij recent onderzoek in de natuur zijn van deze soorten nog kleine populaties aangetroffen.


Het belang van het voor een langere tijd verzorgen van deze soorten in aquaria is dus groot.
IVAN DIBBLE heeft in de jaren negentig het initiatief genomen om samen met de universiteit van Morelia (Mexico) een project ter bescherming van de goodeïden te starten. Gespecialiseerde verenigingen van over de hele wereld ondersteunen dit project met financiële bijdragen.
Er vindt uitwisseling van informatie tussen de hobbyisten en de wetenschappers van de universiteit plaats. Leden van de verschillende verenigingen hebben de afgelopen jaren de universiteit bezocht en met de medewerkers vangreizen gemaakt. Ook heeft uitwisselen van levende dieren plaats gevonden. Een aantal in de natuur niet meer aanwezige soorten zijn door hobbyisten beschikbaar gesteld aan de universiteit. Nakweek van in het wild gevangen
vissen werd aan de hobbyisten beschikbaar gesteld.

De goodeïden zijn ondanks hun interessante voortplanting nooit populaire aquariumvissen geworden. Een reden hiervoor is dat het gedrag van een groot aantal soorten niet geschikt is voor een gezelschapsaquarium.
Vooral de grotere en aantrekkelijke vissen als Ameca splendens en Xenotoca eiseni zijn door hun robuuste gedrag niet geschikt voor het samenhouden met andere soorten.
Het agressieve gedrag wordt vaak nog versterkt door de te hoge temperatuur van het gemiddelde gezelschapsaquarium. Mindere robuuste aquariumbewoners, zeker die met langere vinnen, delven snel het onderspit. Andere goodeïden, zoals vissen uit de geslachten Ilyodon,
zijn groot en niet bijzonder kleurig.
De kleinere fraaie soorten goodeïden blijken niet eenvoudig in het aquarium te houden. Zo
stellen de fraaie vertegenwoordigers uit het genus Girardinichthys veel eisen aan waterkwaliteit en temperatuur die in een gezelschapsaquarium niet te realiseren zijn.
Bij het houden en verzorgen van goodeïden moet rekening worden gehouden met de diversiteit binnen deze groep vissen. De goodeïden komen zowel in stilstaand als stromend water voor en de verschillende soorten hebben zich hieraan aangepast. Daarnaast leven sommige tussen
de planten, terwijl anderen zich in het open water ophouden.
Een groot aantal vissen is omnivoor, maar er zijn ook uitgesproken voedselspecialisten
aanwezig.
Alloophorus robustus is een rover die zich voornamelijk voedt met andere vissen. Welk voer wordt gegeten, hangt in de natuur ook af van het aanbod. Carnivore soorten zullen bij gebrek aan dierlijk voedsel ook veel plantaardig materiaal en detritus eten. In het aquarium dient gevarieerd te worden gevoerd, waarbij een periode met minder eiwitrijk voer noodzakelijk is.



In het oorspronkelijke leefgebied is een groot verschil tussen de seizoenen aanwezig. Temperatuur en watersamenstelling variëren in de 36 37 loop van het jaar sterk.
Skiffia multipunctata Zoogeneticus tequila Verzorging
Om de goodeïden over een langere periode in het aquarium te houden, is het van belang dat de temperatuur in de loop van een jaar varieert. Afhankelijk van de soort is 12°C gedurende enkele maanden al voldoende. Deze koele periode is voor de vissen een rustperiode waarin ze minder eten en zich niet voortplanten. Een constante hoge temperatuur is de oorzaak van het verzwakken van de vissen, waardoor ze niet erg oud worden.
Veel aquarianen hebben goede ervaring met het ’s zomers buiten houden. Hiermee worden te hoge temperaturen voorkomen en het gevarieerde voedselaanbod zorgt voor gezondere dieren. Vooral de grotere soorten kunnen bij een juiste verzorging een respectabele leeftijd van zes jaar bereiken.
Om de vissen goed te verzorgen is het van belang dat ze in een groep worden gehouden. In een dergelijke groep kunnen het beste vissen van verschillende leeftijd en grootte worden gehouden. Binnen deze groep vormt zich een rangorde en hebben individuen de mogelijkheid om elkaar te ontlopen, waardoor er geen vissen door onderlinge gevechten beschadigd raken.


Het houden van een paartje blijkt vaak lastig en het is daarom verstandig om met een groepje te
beginnen.
De kwaliteit van het water is ook van belang. Alleen wanneer het water regelmatig voor een groot deel wordt ververst, is het mogelijk om de soorten gezond te houden. Kan aan deze eis niet worden voldaan dan is het af te raden om goodeïden te houden.
Het vervoer van goodeïden vraagt extra aandacht. Het is mogelijk om kleinere vissen samen in één verpakking te transporteren. Volwassen exemplaren dienen echter apart verpakt te worden. Anders is de kans groot dat de vissen het transport niet overleven.
De voortplanting van de goodeïden is uniek. Het zijn levendbarende vissen en de mannetjes brengen sperma in het lichaam van het vrouwtje. Om de vrouwtjes te bevruchten hebben de mannetjes een tot geslachtsorgaan omgevormde aarsvin, waarmee de overdracht van sperma mogelijk is. Dit geslachtsorgaan wordt andropodium genoemd. Het andropodium is per soort verschillend ontwikkeld. Bij sommige soorten zijn de eerste vinstralen van de mannetjes duidelijk vergroeid (bijv. het genus Girardinichthys), terwijl bij anderen zoals Goodea het geslachtsonderscheid minder duidelijk zichtbaar is.
De bevruchting wordt voorafgegaan door een balts waaraan beide geslachten deelnemen.
Dit is een verschil met de levendbarende tandkarpers waarbij de vrouwtjes niet deelnemen aan de balts.

De balts is per soort en kan ook per locatie verschillen. In grote lijnen komt de balts er op neer
dat de mannetjes met gespreide vinnen voor het vrouwtje zwemmen en op deze wijze de vrouwtjes proberen over te halen tot een paring. Als de vrouwtjes in de juiste stemming zijn, dan nemen ze actief deel aan de balts waarbij het lichaam schokkerig heen en weer wordt bewogen. Vrouwtjes hebben een voorkeur voor grote mannetjes die meer baltsen dan hun kleinere soortgenoten. De mannetjes zijn niet zo seksueel actief als de mannetjes van de levendbarende tandkarpers. Alleen als de vrouwtjes ook bereid zijn om te paren zullen ze beginnen met baltsen. De paarbereidheid van de vrouwtjes wordt mede bepaald door de temperatuur. Bij te hoge of te lage temperaturen planten ze zich niet voort. Bij de juiste temperatuur, die rond de
20°C ligt, zijn de vrouwtjes na een worp ongeveer een week vruchtbaar en in deze periode zijn ze bereid om te paren. Vrouwtjes van de goodeïden kunnen geen sperma opslaan, maar het
komt wel voor dat ze in één worp jongen van meerdere mannetjes 38 39 krijgen.


Voortplanting:
Xenotoca eiseni uit de Rio Tamazula Na de bevruchting duurt het ongeveer acht weken voordat de jongen worden geboren. De jongen ontvangen in het moederlichaam veel voedsel en de toename in gewicht ten opzichte van het eitje is meer dan 1.000%. Het voedsel wordt in het ovarium overgebracht via een uitwendige voedselstreng bij de jongen (trophotaenia). Vlak
na de geboorte is deze voedselstreng nog enkele dagen zichtbaar.
Uit onderzoek is gebleken dat de jongen zich in het ovarium ook voeden met niet bevruchte eitjes. Het aantal jongen is afhankelijk van de soort en de grootte van het vrouwtje. Opvallend is dat vrouwtjes die voor het eerst werpen meestal maar drie tot vijf jongen per worp krijgen.
Deze jongen zijn relatief groot, soms tot twee centimeter. Grotere vrouwtjes werpen meer jongen die kleiner zijn en bij de geboorte ongeveer één centimeter groot zijn. De pasgeboren
jongen zijn eenvoudig te voeren met allerlei soorten klein voer. Voor een goede groei mag levend
voer niet ontbreken.


De meeste soorten zijn, mits er voldoende schuilplaatsen aanwezig zijn, goed in een groep te kweken en het is dan niet noodzakelijk om vrouwtjes apart te zetten. Voor sommige soorten, zoals Xenotoca melanosoma, is het echter wel noodzakelijk om de vrouwtjes apart te zetten. In hoeverre het noodzakelijk is om deze maatregelen te nemen, laat zich niet altijd goed voorspellen. Soms lukt het om de vissen in een groep te houden, terwijl dit later niet meer blijkt te lukken. Dit vraagt aandacht van de kweker.
Over het algemeen kan worden gesteld dat wanneer er vissen van verschillende grootte aanwezig zijn het niet nodig is om vrouwtjes voor de worp te isoleren. Het isoleren van drachtige vrouwtjes dient zorgvuldig te gebeuren. Door de stress is de kans op te vroeg geboren
jongen groot. Bij het samenhouden van verschillende soorten is enige voorzichtigheid
geboden. Het is een kwestie van uitproberen of meerdere soorten goodeïden elkaars gezelschap in het aquarium verdragen. Soorten uit hetzelfde genus moeten in ieder geval niet samen worden gehouden. De kans op hybriden is dan aanwezig. Een zwartgekleurde hybride, ontstaan door het kruisen van Skiffia multipunctata en Skiffia francesae, circuleert onder naam “black beauty” in de hobby.


Een ander nadeel dat zich voordoet bij het houden van meerdere soorten in hetzelfde aquarium is dat de jongen slecht van elkaar te onderscheiden zijn. Bij het uitwisselen van soorten kan dit eenvoudig tot misverstanden leiden. De goodeïden zijn voor de meer gevorderde aquariaan een interessante groep vissen. Er wordt de laatste jaren telkens meer onderzoek gedaan, maar veel aspecten zijn nog niet duidelijk. Het houden en kweken van de soorten is niet in alle gevallen eenvoudig. Vooral het een langere tijd in stand houden van een soort is bewerkelijk en
vraagt veel aandacht en een portie geluk. Voor gespecialiseerde liefhebbers ligt hier een grote uitdaging. Het
40 41 boek van HIERONIMUS (1995) geeft veel extra informatie.

Dit stuk tekst is in zijn geheel over genomen, onder goedkeuring, uit Poecilia nieuws een uitgave van het 25 jarig bestaan van Poecilia Nederland.
Tekst: Kees de Jong.
Foto`s: Leo van der Meer.

Literatuur
Onderstaande literatuur is gebruikt bij het maken van deze speciale uitgave van Poecilia
Nieuws. Ze vormen, samen met de oude jaargangen van Poecilia Nieuws, een goede aanvulling
en verdieping op de in deze uitgave opgenomen informatie.
A.L. ARIAS & D. REZNICK (2000): Life history of Phalloceros caudiomaculatus: A novel
variation on the theme of livebearing in the Family Poeciliidae. Copeia (3): 792-798.
M. BREMBACH (1979). Levendbarende vissen in het aquarium. B.V. W.J. Thieme &
Cie – Zutphen.
M. BREMBACH (1991). Lebendgebärende Halbschnäbler. Verlag Natur & Wissenschaft
– Solingen.
W.A. BUSSING (1979): A new fish of the genus Phallichthys (Family Poeciliidae) from
Costa Rica. Contributions in Science Natural History Museum of Los Angeles
County (301): 1-8
J. DAWES (1991): Livebearing fishes. A guide to their aquarium care, biology and
classification. Blandford London.
F. DE FILIPPI (1861): Note Zoologiche IV. Lebistes, nuovo genere di perce della
famiglia dei Ciprinodonti. Archivio per la Zoologia l’Anatomia e la Fisiologia
(Genova), 1: 69-70, pl. 4.
O. DOMÍNGUEZ-DOMÍNGUEZ, N. MERCADO SILVA, J. LYONS & H. GRIER 2005.
The Viviparous Goodeid Species. In: M.C. URIBE & H.J. GRIER, book editors,
Viviparous Fishes. New Life Publications, Homestead, Florida. p. 525-569.
K. EICHBAUM ESTEVES & J. LOBÓN-CERVÍA (2001): Composition and trophic
structure of a fish community of a clear water Atlantic rainforest stream in
southeastern Brazil. Environmental Biology of Fishes (62): 429-440.
FILIPPI, F. DE. 1861. Note Zoologiche IV. Lebistes, nuovo genere di perce della
famiglia dei Ciprinodonti. Archivio per la Zoologia l’Anatomia e la Fisiologia
(Genova), 1: 69-70, pl. 4.
G. GÄRTNER, Zahnkarpfen- Die Lebendgebärenden im Aquarium . Ulmer 1981 blz.
61-63.
M.J. GHEDOTTI & S.H. WEITZMAN (1996): A new species of Jenynsia (Cyprinodontiformes:
Anablepidae) from Brazil with comments on the composition and
taxonomy of the genus. Occ. Papers Nat. Hist. Mus. Univ. Kansas (179): 1-25.
H. HIERONIMUS (1995): Die Hochlandkärpflinge. Westarp-Wiss. Magdeburg
J.J. HOEDEMAN (1980): Tandkarpers en hun verwanten. Zuidgroep B.V. Uitgevers –
Best.
J.J. HOEDEMAN (1980): Tandkarper biotopen. Zuidgroep B.V. Uitgevers – Best.
C.L. HUBBS (1926a): Studies of the fishes of the order Cyprinodontes VI. Misc. Publ.
Mus. Zool. Univ. Mich. 16 (1): 1-87.
K. JACOBS (1969): Die lebendgebärenden Fische der Süßgewässer. Verlag Harri
Deutsch Frankfurt/Main und Zürich.
K. DE JONG (1987): Xenotaenia resolanae, een mooie en eenvoudig te houden hooglandkarper.
Poecilia Nieuws (1): 7-9.
K. DE JONG (1995): Van egale naar gevlekte Limia vittata (GUICHENOT, 1853). Poecilia
Nieuws (3): 44-48.
K. DE JONG (1997): Weer een nieuwe soort in het genus Jenynsia. Poecilia Nieuws (3):
49-52.
K. DE JONG (1998): Twee grote Limia-soorten. Poecilia Nieuws (1): 4-10.
K. DE JONG (2008): Even voorstelllen. POECILIA NIEUWS (1): 25-27.
M. KEMPKES (2000). Levendbarende tandkarpers. Tirion Uitgevers BV - Baarn
D. KUNATH (1990): Die Kreuzung Characodon lateralis GÜNTHER, 1866 mit Characodon
audax SMITH & MILLER, 1986. ZAG Lebendgebärende Zahnkarpfen (2): 7-9.
D. LAMBERT & P. LAMBERT (1995), Platies and Swordtails. Blandford – London.
P.H.F. LUCINDA, R.E. REIS & R. QUEVEDO (2002): Jenynsia onca, a new species of
anablepid fish (Teleostei: Cyprinodontiformes) from southern Brazil and its
phylogenetic position. Ichthyol. Explor. Freshwaters (1): 33-40.
J. LYONS & S. NAVARRO-PEREZ (1990): Fishes of the Sierra de Manantlan, West-
Central Mexico. The Southwestern Naturalist (1): 32-46.
J. LYONS (2002a): De grondbaars goodeïden, het geslacht Allodontichthys. Poecilia
Nieuws (5): 91–95.
J. LYONS (2002b): Het natuurlijk verspreidingsgebied van de luipaard goodeïde Xenotaenia
resolanae. Poecilia Nieuws (4): 61-73.
A.C.G. MAI, A.M. GARCIA, J.P. VIEIRA & M.G. MAI (2007): Reproductive aspects of
the one-side livebearer Jenynsia multidentata (JENYNS, 1842) (Cyprinodontiformes) in
the Patos Lagoon estuary, Brazil. Pan-American Journal of Aquatic Sciences (1): 40-
46.
A.D. MEISNER (2001): Phylogenetic systematics of the viviparous halfbeak genera
Dermogenys and Nomorhamphus (Teleostei: Hermirhamphidae: Zenarchopterinae).
Zool. J. Linnean Soc. 133: 199-283.
M.K. MEYER, L. WISCHNATH & W. FOERSTER (1985): Lebendgebärende Zierfische –
Arten der Welt. Mergus - Melle.
L. PARENTI (1981): Phylogenetic and Biogeographic analysis of Cyprinodontiform
Fishes (Teleostei, Atherinomorpha). America Museum of Natural History (168):
335-557.
J. PAULO-MAYA & P. TRUJILLO-JIMÉNEZ (2000): Neuva especie de Ilyodon (Cyprinodontiformes:
Goodeidae) de la cuenca del Río Balsas, Mexico. Rev. Biol. Trop. 2/3:
465-472.
K. PLÖGER-BREMBACH (1982): Lebendgebärende. Alfred Kernen Verlag - Stuttgart.
POESER, F.N. AND I.J.H. ISBRÜCKER (2002): Zum wissenschaftlichen Nahme des
Guppy. DATZ 2002 (4): 47-49.
84 85
F. N. POESER (1996): Twee nieuwe soorten in het genus Jenynsia, 1866 uit Zuid-
Brazilië door M.J. GHEDOTTI en S.H. WEITZMAN. Poecilia Nieuws (2): 24-25.
F.N. POESER (1998): De amazone molly, Poecilia formosa (GIRARD, 1859), een
zwemmende biologieles. Poecilia Nieuws (2): 27-33.
F.N. POESER, M. KEMPKES & I.J.H. ISBRÜCKER (2005): Description of Poecilia
(Acanthophacelus) wingei n. sp. from the Paría Peninsula, Venezuela, including notes on
Acanthophacelus EIGENMANN, 1907 and other subgenera of Poecilia BLOCH AND
SCHNEIDER, 1801 (Teleostei, Cyprinodontiformes, Poeciliidae). Contribution to
Zoology, 74 (1/2): 97-113.
M. RAUCHENBERGER 1988. A new species of Allodontichthys (Cyprinodontiformes:
Goodeidae), with comparative morphometrics for the genus. Copeia (2): 433 – 441.
C.T. REGAN (1913) A revision of the cyprinodont fishes of the subfamily Poeciliinae.
Proc. Zool. Soc. Lond.: 977-1018.
C.T. REGAN (1913) A revision of the cyprinodont fishes of the subfamily Poeciliinae.
Proc. Zool. Soc. Lond.: 977-1018.
D. REZNICK, R. MEREDITH & B. COLLETTE (2007) Independent evolution of
complex life history adaptations in two families of fishes, live-bearing halfbeaks
(Zenarchopteridae, Beloniformes) and Poeciliidae (Cyprinodontiformes). Evolution
(11): 2570-2583.
H. STALLKNECHT (2000) Lebendgebärende Zahnkarpfen. Tetra-Verlag GmbH –
Bissendorf-Wulften
E.C. TAYLOR (1984): Hooglandkarpers (vervolg). Poecilia Nieuws (3): 4-7.
C.L TURNER (1946): A contribution to the taxonomy and zoogeography of the
Goodeid fishes. Occasional papers of the museum of zoology University of
Michigan (495): 1-13.
L. WISCHNATH (1993): Atlas of Lifebearers of the World T.F.H.- Neptune City
Internet:
www.fishbase.org
www.itis.gov

donderdag, januari 01, 2009

Brachyrhapis hartwegi

Brachyrhapis hartwegi.

Foto boven: man B.hartwegi(houder Herman van de Kooy).
Nederlandse naam:
Niet aanwezig

Foto boven: koppel B Hartwegi (herman van de Kooy)

Verspreidingsgebied:
Het zuiden van Mexico en Guatamala.

Foto boven: man B.hartwegi (Herman van de Kooy).

Kenmerken:
Deze bijzonder fraaie vertegenwoordiger
uit het geslacht Brachyrhaphis is al
in 1977 naar Europa gekomen en
heeft zich altijd, zij het bescheiden,
kunnen handhaven onder de liefhebbers
van levendbarenden. Op de foto
is niet duidelijk te zien dat naast het
fraaie uiterlijk dit visje ook nog beschikt
over een oplichtend oog. Vooral
bij jonge exemplaren is dit heel
sprekend. Weliswaar is het niet zo fel oplichtend als b.v. bij Priapella
olmecae maar het is een duidelijk waarneembaar kenmerk en zeker
een aanwinst te noemen. De vrouwtjes zijn als gewoonlijk wat minder
sprekend van kleur.

Foto boven :Priappela olmeca (Kees de Jong).

De mannetjes van B. hartwegi zijn in het bezit van een lang gonopodium.
Volgens de literatuur kunnen de mannetjes tot 3,5 cm lang
worden en de vrouwtjes wel 5 cm. Mijn ervaring is dat zij wat kleiner
blijven maar dat kan in de natuur wel anders zijn.
Verzorging en kweek:
De verzorging van dit visje is vrij eenvoudig al moeten zij niet te
koud worden gehouden. Ik houd ze zo net boven de 20°C maar
mocht de temperatuur met warme dagen oplopen dan heb ik niet
gezien dat zij daar grote problemen mee hadden.
Ze kunnen wel schuw zijn, zeker als zij noodgedwongen van bak
moeten verhuizen duurt het een tijdje voor ze weer gewend zijn en
we weer kunnen genieten van hun fraaie uiterlijk.

Ze kunnen dan
behoorlijk fel zijn en soortgenoten achterna zitten maar het komt
niet tot gevechten waarbij beschadigingen zouden kunnen optreden.
Helaas is er ook een min puntje te constateren. Toen ze bij mij
samen werden gehouden met guppen met fraaie lange staartvinnen,
moest ik constateren dat ze daar niet blij mee waren en al gauw
zwommen er guppen rond met een aangevreten staart. Overigens is
dit visje nog het meest vreedzaam binnen het genus Brachyrhaphis, de
andere soorten zijn bijters en kunnen niet van hun jongen afblijven.

Foto boven: man B.hartwegi-vrouw Skiffia lermae.

Wat het voedsel betreft zijn ze zeker niet moeilijk, het gewone
standaardmenu van diepvries en droogvoer wordt goed gegeten.
Natuurlijk hebben ze ook graag levend voer maar dat mag dan niet
te groot zijn. Op artemianaupliën zijn ze verzot maar welke vis is dat
niet?
Ook de kweek levert geen problemen op, het is zelfs oppassen voor
overbevolking omdat zij hun jongen met rust laten. Op zijn tijd zal
men moeten ingrijpen om dit te voorkomen. Houdt men dit visje
samen met andere tandkarpers dan wil het nog wel meevallen met
die overbevolking omdat die hun menu wel eens willen aanvullen.
Bij een juiste voeding groeien de jongen voorspoedig op en al is het
niet direct nodig, het heeft de voorkeur de jongen in een bakje de
eerste 2 maanden b.v. apart te laten opgroeien. Het voedselaanbod
is in zo’n apart bakje natuurlijk veel beter dan in een grotere bak met
volwassen vissen.

Foto boven: man B.hartwegi.
Deze soort is niet erg gevoelig voor ziekten, dat is althans mijn
ervaring. Wel heb ik soms jongen waarbij de zwemblaas niet goed
gevuld is zodat zij zich huppelend door de bak moeten bewegen. Ik
vernietig deze exemplaren natuurlijk onmiddellijk.
Opmerkingen:
Een bakje van ca. 60 cm, goed beplant en voorzien van een
bodemlaagje van b.v. fijn grint en ook niet te fel belicht en bevolkt
met deze fraaie tandkarper is een lust voor het oog. U kunt dit nog
aanvullen m 14 15 et een enkele Ancistrus en/of wat garnaaltjes.

Tekst :Herman van de Kooy.
Foto`s :Leo van der Meer

maandag, december 22, 2008

Skiffia cf francesae.

Skiffia cf francesae. Opnieuw ontdekt!

Foto boven: Foto van een man Skiffia franceae.
De bedreiging van de goodeïden in de natuur valt mee. Deze conclusie zou je kunnen trekken nu ook Skiffia francesae weer in de natuur is aangetroffen. Van deze soort werd lange tijd aangenomen dat ze in de natuur niet meer voorkwam en alleen nog in aquaria leefde. In 2007 hebben onderzoekers van de universiteit van Morelia vissen gevangen die vrijwel identiek zijn aan S. francesae. Een definitieve determinatie moet nog plaatsvinden, maar de eerste indruk is dat de aangetroffen vissen wel degelijk S. francesae zijn. Voor mij is dit de reden om in de titel de soort Skiffia cf francesae te noemen. In dit artikel noem ik de soort alvast S. francesae.

Foto boven: vrouwS.franceasae.
Het opmerkelijk van de vindplaats is dat deze geen onderdeel uitmaakt van het Rio Ameca stroomgebied waarvan werd aangenomen dat S. francesae alleen maar voor zou komen. Op de locatie werd ook nog Ameca splendens aangetroffen, waarvan ook werd aangenomen dat de verspreiding beperkt was tot het Rio Ameca stroomgebied. De aanwezigheid van A. splendens is ook goed nieuws. Van deze soort is van het oorspronkelijke verspreidingsgebied nauwelijks iets over. Alleen in de bronnen van de Río Ameca (Teuchitlan) werd de soort nog gevonden.

Foto boven: man Ameca splendens.
Het is niet uniek dat een goodeïde die lange tijd als in de natuur uitgestorven werd beschouwd, toch nog in de natuur blijkt voor te komen. Eerder was dit het geval bij Allotoca maculata (Shuker, 1993) en Zoogoneticus tequila (Vega-Salazar et al 2003, Kabbes 2000). Deze bleken ook nog kans te hebben gezien om in kleine poeltjes te overleven.


Foto boven:Zoogoneticus tequila.
Volgens de huidige inzichten wordt alleen Characodon garmani als uitgestorven beschouwd. Voor deze soort lijkt het doek definitief te zijn gevallen. Ook in het aquarium zijn er geen levende exemplaren van bekend. De enige fysieke bewijzen voor deze soort zijn enkele gedeeltelijk vergane visjes in een potje met alcohol. De soorten waarvan men aannam dat ze in de natuur zijn uitgestorven, is dus teruggelopen van vier naar een.

Foto boven: man en vrouw S francesae.
Dit goede nieuws moet niet alleen positief worden gezien. De gevonden soorten zijn afkomstig uit kleine kwetsbare biotopen. Er hoeft niet zoveel te gebeuren of deze biotopen zijn weer verdwenen. Om deze biotopen in ieder geval te beschermen tegen allerlei geïnteresseerden, wordt de locatie ook niet meer vrijgegeven door de ontdekkers er van. Bezoek van liefhebbers die de herontdekte soorten willen vangen kan het voortbestaan van de populaties al in gevaar brengen.


Ook een nieuw ontdekte Zoogeneticus quitzeoensis.(n.sp.La Luz.)
Het verspreidingsgebied van veel andere soorten goodeïden neemt nog steeds af. Soorten die vroeger op veel plekken werden aangetroffen, worden nu nog slechts sporadisch aangetroffen (Domínguez-Domínguez et al 2005, De Jong 2000). De conclusie dat de bedreiging van de goodeïden in de natuur mee valt is dan ook onjuist. Het terugvinden van enkele soorten is geen compensatie voor de sterke afname van het aantal plaatsen waar de soorten nog worden gevonden.


Foto boven:Ilyodon xantuzi een veel voorkomende goodeiden.
De levende vissen
Nog even over de herontdekte populatie van S. francesae. Het gaat ons aquarianen toch om de levende vissen. De universiteit van Morelia (Mexico) kweekt deze vissen in hun laboratorium. Tijdens mijn bezoek eind 2007 aan de universiteit van Morelia kreeg ik van Omar Domínguez-Domínguez een groepje van deze vissen mee. Deze vissen blijken het in mijn aquarium heel goed te doen en ik heb er al veel nakweek van. Aan een aantal geïnteresseerden heb ik vissen kunnen geven.

De mannetjes zijn erg mooi. Hun goudkleurige lichaam in combinatie met de hoge rugvin maakt ze tot fraaie aquariumbewoners. De vrouwtjes zijn veel eenvoudiger van kleur.

De manier waarop de soort het beste kan worden verzorgd, zal ik hier kort beschrijven. Het belangrijkste is dat de vissen in een groep van minimaal 10 dieren moet worden gehouden. Dit kan het beste in een aquarium met zo min mogelijk andere soorten. Het is wel noodzakelijk om regelmatig een deel van het water te verversen. Gebeurt dit niet dan neemt de levendigheid van de vissen sterk af. Aan het voer worden geen bijzondere eisen gesteld, een gevarieerd menu is voldoende. Op enkele plaatsen in het aquarium dienen schuilplaatsen aanwezig te zijn waar de vissen zich af en toe terug kunnen trekken. Ook de netgeboren jongen zullen zich hier de eerste dagen ophouden. De jongen kunnen in hetzelfde aquarium als hun ouders opgroeien. Het is niet noodzakelijk om ze apart op te fokken. De temperatuur kan het beste tijdens het jaar een rond de 20°C liggen.

Twee rivaliserende mannen Skiffia Francesae.
Is aan bovenstaande eisen voldaan dan zullen de vissen ook hun interessante gedrag tonen. De vissen lijken in het aquarium een rangorde te hebben en regelmatig verjagen ze elkaar. Vooral de mannetjes zijn hierin erg actief. Ze proberen indruk op elkaar te maken door hun vinnen te spreiden en elkaar hun fraaiste kleuren te tonen. Het is opvallend dat dit gedrag bijna altijd tussen vissen van dezelfde grootte speelt. De onderlinge competitie wordt over meerdere vissen verdeeld, zodat individuen de mogelijkheid hebben om zich te onttrekken aan het bepalen van de rangorde en tot rust kunnen komen.

Concluderend is de nieuwe populatie van S. francesae een aantrekkelijke vis is die het verdient om door veel mensen te worden gehouden en gekweekt. Mijn streven is om zoveel mogelijk liefhebbers te voorzien van een groep van deze vissen, zodat een goede start mogelijk is. We zullen de nieuwe populatie wel gescheiden moeten houden van de al in het aquarium aanwezige S. francesae. Zoals al aangegeven is nog niet definitief vastgesteld of het om S. francesae gaat en bovendien kunnen er verschillen zijn tussen de twee stammen. Ik stel voor dat we nieuwe stam onder de naam S. francesae 2007 registreren. Door deze naamgeving weet iedereen om welke vissen het gaat. Mocht uiteindelijk blijken dat het toch niet om S. francesae gaat, dan kunnen we de naam aanpassen.

Nog een foto van een schitterende man S francesae.
Literatuur
O. Domínguez-Domínguez, N. Mercado Silva, J. Lyons & H. Grier (2005): The Viviparous Goodeid Species. In: M.C. Uribe & H.J. Grier, book editors, Viviparous Fishes. New Life Publications, Homestead, Florida. p. 525-569.
K. de Jong (2000): Trends in de verspreiding van Goodeidae. Poecilia Nieuws (6): 108-113
B. Kabbes (2000): Hij is niet dood, hij leeft! (maar hoe lang nog?). Poecilia Nieuws (1): 14-16
Dr. K. Shuker 1993. The Lost Ark. New and rediscovered animals of the 20th century. HarperCollinsPublishers – LondonM.Y. De La Vega-Salazar, E.G. Avila-Luna & C. Macías-Garcia (2003): Threatened fishes of the world: Zoogoneticus tequila Webb & Miller 1998 (Goodeidae). Environmental Biology of Fishes (68): 14-14
Tekst:Kees de Jong.
Foto`s:Leo van der Meer.
Bewerking:Herman van de Kooy.

donderdag, december 11, 2008

Xiphophorus andersi

Xiphophorus andersi (Meyer & Schartl, 1980).


Foto boven: koppel X.andersi (Kweker Kees de Jong)
Synoniemen:
Geen


Foto boven: Vrouw X andersi(Kweker Kees de Jong)

Nederlandse naam:
Atoyac zwaardplaty


Foto boven man X.andersi (Kweker kees de Jong).

Beschrijving:
M.K. Meyer & M. Schartl (1980): Eine neue Xiphophorus-Art aus Vera Cruz, Mexiko. Senckenbergiana biol. (60): 147-151


Foto boven: hier zijn ze bezig X.andersi te vangen.
Naamgeving:
Xiphophorus = zwaarddrager. Uit het Grieks en dit verwijst naar het gonopodium bij de mannetjes
andersi = genoemd naar Prof. Dr. F. Anders die veel onderzoek naar kanker heeft gedaan, waarbij hij gebruik maakte van vissen uit het genus Xiphophorus.

Foto boven: Rio Atoyac (foto Kees de Jong)

Verspreiding:
Het Atoyac zwaardplaty wordt alleen gevonden in de bron van de Río Atoyac in de Mexicaanse staat Vera Cruz. Dit kleine gebied in de buurt van het plaatsje Chico ligt in een vallei waar veel suikkerriet wordt verbouwd. Door het uitblijven van regen en de grote hoeveelheden water die nodig zijn voor het suikkerriet is het leefgebied erg klein en dit maakt de soort zijn oorspronkelijk verspreidingsgebied kwetsbaar.
De soort komt samen voor met onder andere Poecilia mexicana, Xiphophorus hellerii, Pseudoxiphophorus jonesi, Pseudoxiphophorus bimaculatus en Astyanax sp.


Foto boven: koppel X.andersi (kweker Kees de Jong).
Uiterlijk:
Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben een bruine lichaamskleur met een lichte buikzijde. Als de dieren zich goed voelen, kunnen de vinnen enigszins geel gekleurd zijn. Beide geslachten hebben twee zwarte bandjes in de rugvin. Wat opvalt is dat mannetjes een klein doorzichtige zwaardje hebben. De vrouwtjes hebben een duidelijke zwarte drachtigheidsvlek. Van de mannetjes zijn twee vormen bekend, een grote en een kleine. De grote vorm kan bijna net zo groot worden als een vrouwtje en heeft net als deze ook een zwarte vlek op de buikzijde. Deze wordt wel pseudo-drachtigheidsvlek genoemd. De andere vorm blijft kleiner en mist deze tekening.

Grootte:
De mannetjes van deze soort kunnen tot 6 cm lang worden, de vrouwtjes twee centimeter groter. Zoals al aangegeven bestaan er twee vormen bij de mannetjes. De lengte van mannetjes van levendbarende tandkarpers wordt vooral bepaald door de leeftijd waarop ze geslachtsrijp zijn (Kallman, 1989), hierna zullen ze nauwelijks meer groeien. De mannetjes met de pseudo-drachtigheidsvlek zijn op latere leeftijd geslachtsrijp dan de mannetjes zonder dit kenmerk en blijven dus langer doorgroeien. Kallman toonde aan dat deze twee kenmerken via een allel op het Y-chromosoom vererven.

Foto boven: Rio Atoyac (foto Kees de Jong).

Verzorging en kweek:
Het Atoyac zwaardplaty stelt geen bijzondere eisen aan de voeding. Ook droogvoer wordt gegeten en het is goed mogelijk om dit langdurig als enig voedsel aan te bieden. Dat een meer gevarieerd menu op de lange duur beter is, spreekt voor zich. Deze platy lijkt gevoelig voor een verslechtering van de waterkwaliteit, wat regelmatig waterverversen noodzakelijk maakt. Deze gevoeligheid is aannemelijk aangezien de soort in zijn natuurlijke biotoop vlak bij een bron voorkomt.

Zoals hierboven reeds aangegeven bestaan er twee mannelijke vormen, een grote met een pseudo-drachtigheidsvlek en een kleine zonder dit kenmerk. De kleine mannetjes zijn sneller geslachtsrijp dan de grote en kunnen dus ook eerder de aanwezige vrouwtjes bevruchten. Gevolg hiervan is dat de fraaiere grotere mannetjes, wanneer er aan dit aspect geen aandacht wordt geschonken, uit de aquariumstam zullen verdwijnen. In mijn eigen stam probeer ik het aantal kleine mannetjes te beperken. Aangezien ik niet wil dat dit specifieke kenmerk uit mijn stam verdwijnt, laat ik meestal één of twee van deze mannetjes in de groep zitten. De grotere mannen zijn veel dominanter en verjagen de kleinere regelmatig.

Bij een lagere temperatuur worden de vissen minder snel geslachtsrijp en hebben een rustperiode waardoor ze uiteindelijk groter en forser worden. Op dit moment houd ik deze soort ‘s winters in een van de aquaria met een lagere temperatuur. De temperatuur daalt hier als het erg koud is af en toe tot 15ºC en komt vaak voor een langere periode niet boven de 17°C. In de zomer kan de temperatuur weer oplopen tot 26ºC. Hoewel de vissen bij een lagere temperatuur nauwelijks groeien, krijg ik op deze wijze wel grote en sterke dieren.

De mannetjes voeren af en toe een balts uit waarbij ze met gekromde rug en gespreide vinnen voor het vrouwtje heen en weer zwemmen. Verder is het Atoyac zwaardplaty een rustige soort die met een aquarium vanaf 60 centimeter lengte genoegen neemt. Hoewel er in de natuur geen hybriden van deze soort en de sympatrisch voorkomende zwaarddrager bekend zijn, is het niet verstandig om de vis samen te houden met andere soorten uit het genus Xiphophorus. De kans op bastaarden is dan zeker aanwezig. Hoewel het kruisen van soorten tot interessante kweekvormen kan leiden, voegen meestal niets toe aan de reeds aanwezige soorten en zullen ze alleen maar tot misverstanden leiden.

De kweek van de soort geeft nauwelijks problemen. Zeker in een eigen soortaquarium met enige planten, zullen er altijd voldoende jongen overblijven om de soort in stand te houden en vissen aan andere geïnteresseerden te beschikking te stellen.

Opmerkingen:
Een vraag die natuurlijk voor de hand ligt, is waarom sommige mannetjes een pseudo-drachtigheidsvlek hebben. Gordon (1997) schrijft dat de drachtigheidsvlek bij de vrouwtjes van levendbarende tandkarpers tijdens de zwangerschap in grootte toeneemt. Langhammer (1997) vermoedt op basis hiervan van de pseudo-drachtigheidsvlek bij mannetjes een signaalfunctie voor andere mannetjes zou kunnen hebben. Dergelijke mannetjes zouden andere mannetjes de boodschap geven dat het zinloos is om energie in hun te steken, omdat ze reeds bevrucht zijn. In hoeverre deze theorie klopt weet ik niet. Het zou ook best zo kunnen zijn dat een grote duidelijke drachtigheidsvlek door de vrouwtjes wordt gezien als een teken van vitaliteit. Mogelijk dat verder onderzoek hier in de toekomst meer informatie over zal verschaffen.

Literatuur:
D. Gentzsch (1989): Ergänzende Hinweise zum Erstimport des Gelben Schwertschwanzplatys Xiphophorus andersi nach Europa. ZAG Lebendgebärende Zahnkarpfen (4): 12-
Gordon, M. (1997) What does the “gravid spot” mean? Livebearers vol 149: 24 - 26
K. de Jong (1988): Xiphophorus andersi, met uitsterven bedreigd; het Atoyac zwaardplaatje. Poecilia Nieuws (2): 25-26
K. de Jong (1989): Xiphophorus andersi, vom aussterben bedroht. ZAG Lebendgebärende Zahnkarpfen (4): 11-12
K. de Jong (1996): Een nieuwe aanpak. Poecilia Nieuws (2): 26-29
K. de Jong (1999): Het Atoyac zwaardplaty (Xiphophorus andersi, Meyer & Schartl 1979). Poecilia Nieuws (3): 55-61
K. de Jong (2001): De Atoyac zwaardplaty Xiphophorus andersi. Het Aquarium (6): 214-216
K. de Jong (2004): Der Atoyac Schwertplaty (Xiphophorus andersi, Meyer & Schartl 1979). Das Lebendgebärenden Magazin (2): 8-14
K. D. Kallman (1989): Genetic Control of Size at Maturity in Xiphophorus. Ecology & Evolution of Livebearing Fishes (Poeciliidae): 163-184
Langhammer, J.K. (1997) Additional thought on gravid spots Livebearers vol 149: 26-27
J.K. Langhammer (1999): New Phylogenetic relationships proposed for Xiphophorine species. Livebearers (155): 27-28
E. Marcisz (1986): The goldburst platy - an F1 hybrid. Livebearers (91): 3-4
M.K. Meyer & M. Schartl (1981): Eine neue Xiphophorus-Art aus Vera Cruz, Mexiko. DGLZ-Rundschau (3): 34-38
W. Noack (1980): Op zoek naar nieuwe vissoorten. TI'H (23): 28-29
A.C. Radda (1982): Synopsis der Gattung Xiphophorus Heckel. DGLZ-Rundschau (2): 25-30
A. Savastio (1985): A cross between a wild & domestic swordtail. Livebearers (82): 7-7
R. Serva & G. Tash (1997): In sort of the "wild" red swordtail (amongst other things). Viviparous (39): 0-
S. Teutloff (1989): Auch ein Schwertschwansplaty.... ZAG Lebendgebärende Zahnkarpfen (2): 1-3
L. Wischnath (1980): Een nieuwe zwaardplaty uit Mexico. TI'H (23): 28-28
L. Wischnath (1981): Naar Mexico, het land van de levendbarende vissen. TI'H (24): 35-37
L. Wischnath (1982): Naar Mexico, het land van de levendbarenden. TI'H (29): 39-41
L. Wischnath (1996): Wildvormen van het geslacht Xiphophorus deel 3 - platy's. Het Aquarium (1): 7-9


Tekst: Kees de Jong .
Foto`s: Leo van der Meer.
Kweker X.andersi : Kees de Jong.