vrijdag, augustus 31, 2007

Japanse Bleu Wildtype guppy.

Japanese Blue Wildtype guppy.



Dit is een visje dat je nooit meer vergeet als je het eens gezien hebt, het maakt indruk! De mannetjes vallen enorm op door hun neonblauwe achterlijf, dat bij de juiste lichtval wel licht lijkt te geven. Bovendien hebben alle mannetjes een diepzwarte ronde vlek halverwege hun lijf. De vorm en kleurstelling van de staartjes kan verschillen. De staartvin is bescheiden qua formaat, zoals je die bij een wilde gup zou verwachten. Ze hebben vaak zwaardjes aan hun staartvin vergelijkbaar met de zwaardjes van Endler's guppen. Deze kunnen boven- of onderaan de staartvin zitten. Dubbelzwaard komt ook voor. De zwaardjes zijn blauw, geel of rood van kleur omzoomd door een zwart randje. Op de staartvin zijn vaak één of meer zwarte vlekjes te zien op een lichtblauwe ondergrond. De rugvin is kleurloos met soms wat zwart. De borst is gelig of groenig van kleur. Bij sommige visjes loopt er een contrasterende rode streep over de borst. De mannen worden gemiddeld twee centimeter groot.

Het mannetje van de Japanse Bleu Wildtype.
Japanese Blue Wildtype vrouwtjes vallen lang niet zo op als de mannetjes. Ze zijn zilvergrijs van kleur met doorzichtige vinnen. Ze zijn al vruchtbaar als ze een centimeter of twee zijn, maar ze groeien geleidelijk door tot wel vijf centimeter. Als ze die lengte bereikt hebben kunnen ze elke maaand wel tot 25 jongen werpen.Deze guppystam wordt ook wel Venezuela Blue genoemd en niet zonder rede. Deze lijn is ontstaan uit inkruisingen van Japan Blue sierguppen in een stam wilde guppy's uit Venezuela. De helder blauw gekleurde achterlijven van de mannetjes komen van Japan Blue sierguppen. Het wilde uiterlijk komt van de Venezuela-guppen. De Japanese Blue Wildtype is dus geen wilde gup, maar een wildtype gup.
Al met al is het een sterke stam met een goede natuurlijke weerstand. Ze planten zich bovendien gemakkelijk voort. Hierdoor zijn deze visjes geschikt voor elke aquariumliefhebber, van de beginner die iets anders wil dan de standaard guppy's uit de dierenwinkel, tot de gevorderdere aquariaan die gericht wil kweken.


Geschreven door Lidewij.
Foto`s Leo van Der Meer.

Wil je in het bezit komen van deze guppy's of wil je meer weten? Kijk eens naar mijn advertenties. Ik ben moderator op het forum van http://www.punkyfish.nl/ (het gezelligste aquariumforum) en lid van http://www.endlers-r-us.nl/. Mijn profielnaam is op beide sites Liedje

maandag, augustus 13, 2007

Kleur maakt kwetsbaar.

Kleur maakt kwetsbaar.

Een populatie uit Haiti.
De kleur van mannetjesguppen is een indicatie voor hun gezondheid en vrouwtjes prefereren dan ook felgekleurde mannetjes boven minder gekleurde. Nu trekken deze kleuren niet alleen de aandacht van vrouwtjes, voor predatoren vallen ze ook veel meer op en ze zullen dan ook eerder worden opgegeten. Godin & McDonough (2003) geven voor deze constatering een aantal bewijzen:
In populaties guppen in Trinidad die veel door predatoren worden bedreigd, hebben de mannetjes minder felle kleuren dan bij populaties waar dit niet het geval is.
Een populatie uit Trinidad.
Het introduceren van predatoren in een natuurlijke populatie had tot gevolg dat binnen enkele generaties de hoeveelheid en grootte van de kleurpatronen bij guppen afnam.
Het omgekeerde is ook het geval. Guppen die uit een gebied komen waar ze intensief door predatoren worden bejaagd en in een gebied met minder predatoren terecht komen, zijn in enkele generaties fraaier gekleurd.
Onder gekleurde mannetjes is de sterfte hoger dan onder de minder intensief gekleurde vrouwtjes en jongen met een vergelijkbare grootte.


Een populatie uit Tobago.
Om aan te tonen dat fel gekleurde mannetjes een grotere kans maken om door een predator te worden opgegeten, gebruikten Godin & McDonough de blauwe acara cichlide (Aequidens pulcher). Deze vis is net als de snoekcichlide Crnenicichla alta, een natuurlijke vijand van de guppen in Trinidad, In een aantal experimenten, die in verschillende aquaria werden uitgevoerd, gingen de auteurs de voorkeur voor felgekleurde mannetjes van deze predator na.

Een populatie uit Suriname.
De conclusie is dat de favoriete prooi van de blauwe acara fel gekleurde volwassen guppenmannen zijn. Hoewel deze mannetjes dankzij de voorkeur van de vrouwtjes, een grotere kans hebben om zich voort te planten, lopen ze hierdoor ook grotere risico’s om als prooi te dienen.

Een populatie uit Jamaica.
Waarom de voorkeur voor gekleurde mannetjes is ontwikkeld, is niet eenvoudig vast te stellen. Mogelijk heeft deze voorkeur zich in het verleden bij de predatoren ontwikkelt in relatie met de voorkeur van de guppenvrouwtjes of was het een voorkeur die in combinatie met een ander aspect is ontstaan of bevatten gekleurde mannetjes meer voedingsstoffen in de vorm van kleurstoffen.

Een stam uit Brazilie
Hoewel felle kleuren door de vrouwtjes als een indicatie van de gezondheid van hun mogelijke partner worden gezien, maken ze de mannetjes wel kwetsbaarder. Als compensatie hiervoor blijken feller gekleurde mannetjes wel alerter te reageren op mogelijk gevaar en dit gedrag zou tezamen met de voorkeur van de vrouwtjes er toe kunnen leiden dat de onderlinge verschillen in kleuren bij de mannetjes in de natuurlijke populaties blijven bestaan.

Een stam uit venezuala maar toch geen endler.
Het Cumanna guppy (zwarte Endler.)
Tekst Kees de Jong.
Foto`s Leo van der Meer.

Het beruchte Japan Bleu guppy van Lidewij.


Literatuur:J.-G. J. Godin & H.E. McDonough 2003. Predator preference for brightly colored males in the guppy: a viability cost for a sexually selected trait. Behavioral Ecology Vol. 14 No. 2: 194-200

woensdag, augustus 01, 2007

Rob Starmans ,vertelt zijn verhaal.

Herstart van mijn vissenhobby,endlers.













Endler guppy nu Poecilia wingei.
Eerst maar even voorstellen, Rob Starmans, in 1953 geboren in het Limburgse.
Als 4 jarig joch in de weer met uit het nest gevallen mussen en dergelijk.
Later potjes met salamanders, kikkerdril, water-insekten, noem maar op.



Yellow top Sword Endler.
Eerste bak samen met een vriendje toen we 12 jaar waren.
Bakje van 40 cm. aan het hoofdeinde van het bed.
Uren konden we kijken naar de gedragingen van de gupjes en Kuhli’s.
Dat heeft maar twee jaar geduurd, daarna studie, werkkring, huwelijk etc.



K klasse Endler.
Rond 1990 gestart in de kelder met Malawi-cichliden.
Flinke twee meter bak, plus diverse bakjes van 80 tot en met 120 cm.
Kweken ging totaal zonder problemen, zijn zowat levendbarend, jongen komen echter aan de voorkant naar buiten. Logisch gevolg bij muilbroeders.
Na twee jaar echter speelde de factor tijd een verstorende rol.
Kwam dus niet verder dan snel enige malen per dag de vissen voeren.
Geen tijd meer om dagelijks enkele uurtjes te observeren.
Heb met pijn in mijn hart van de visjes afscheid genomen, niet van de bakken.
Ben ik even blij dat ik die heb laten staan.



Yellow Top Sword Endler.
Afgelopen jaar was ik zoekende naar geschikte huisdieren voor mij.
Vissen was wel logisch, enkel welke?
Wat is internet een uitkomst, elke vis kun je er wel vinden.
Ben uitgekomen bij endlers, klein genoeg, levendig genoeg, gekleurd genoeg en gevraagd.
Dan begint de zoektocht, natuurlijk via internet, marktplaats is gemakkelijk.



Poecilia wingei of Endler guppy.
Kom echter uit in Amsterdam, bij een meneer van Poecilia.
Wat heen en weer gemaild, en jawel, Leo van der Meer heeft weer een lid gestrikt.
Bakje opgezet, wat grind, wat gratis plantjes, laat maar staan tot de visjes komen.
Heerlen- Amsterdam moet je toch een beetje plannen.
Na 14 dagen is het dan zover, naar Leo, visjes halen.
Heb mijn ogen goed de kost gegeven, stelen doe je met de ogen.
Kreeg flinke kweekportie endlers en tropische infusie mee, alsmede veel goede tips.



K Klasse Endler.
Inmiddels ook de site van ERU ontdekt, speciaal gericht op de endler.
De Amerikaanse en Engelse fanaten hebben zelfs een programma opgezet om de soort voor uitsterven te behoeden.
Enkele gelukkigen in Florida kunnen hun tropische vissen het hele jaar in hun vijvers houden.
Daar zwemmen dus honderdduizenden endlers, oorspronkelijk uit de eendenlagune van Venezuela.
Heb gelezen dat er veel gekruist is met endlers en guppen, veel onzuivere endlers in omloop.
Gezien de herkomst van Leo zijn endlers en de konstante vererving durf ik inmiddels te stellen dat deze wel zuiver zijn.



Koppel Poecilia Wingei,Endler.
Ik heb zelf wat geëxperimenteerd met kruisen, is me gebleken dat sommige kruisingen niet zijn te onderscheiden van zuivere endlers.
Enkel door er mee door te kweken, kun je er achter komen.
Kweken doen de endlers, welke ik van Leo heb, heel gemakkelijk.



K, Klasse Endler.
Binnen 4 maanden is hun aantal verviervoudigd.
De bak wordt wat drukker en ik zie vrijwel geen jonkies.
In een bakje ernaast met twee mannen en 4 vrouwen, massa’s jongen.
Interessant om eens te onderzoeken.
Zeker, omdat als de jongen in die bak vrijwel volwassen zijn, de bak dus drukker is, vrijwel geen jonkies, althans ik zie er telkens maar een stuk of drie.
Tijd dus om eens wat uit te proberen.



Top Green Sword Endler.
Ik kan van een ERU lid een mannetje center peacock krijgen.
Is nakweek van import van Adrian uit Florida, Swampriversaquatics.
Deze gaat 17-8-06 samen met twee vrouwtjes black bar van de kweekstam van Leo.
Eerste week enkele jonkies uitgevangen, één maal drie en één maal vier.
Daarna duurt het enkele weekjes en jawel, twee behoorlijke worpen.
Inmiddels begin december zijn dit er dik zestig stuks.
En jawel hoor, minder jongen nu.
Ik heb het vermoeden dat ze worden opgegeten.
Medebewoners in dit 60er bakje slechts enkele vuurgarnaaltjes.
Daarvan denk ik niet dat ze endlerjongen aankunnen.
Wordt dus een proefje zonder andere medebewoners, teneinde dat uit te sluiten.



Een zelf gecreerd filegraan endler guppy.
Ook interessant is de vererving van deze paring, center peacock met black bar.
De center peacock heeft een zwarte punt in het midden van de groene staartwortel.
Verschillende jonge mannen tonen deze zelfs mooier dan hun vader.
Zeker de moeite waard dit probeersel voort te zetten.



Top Green Sword Endler.
Inmiddels zwemt de volgende variëteit in een bakje, top green sword.
Ook nakweek van visjes uit Florida.
Verzameld door Armando Pou in 2004, Laguna de los Patos, North Lake.
Zeker interessant om te zijner tijd eens paringen te doen met andere endlervariëteit.

Waarvan ik zeker verslag zal doen.





Geschreven door Rob Starmans.

Foto`s Leo van der Meer.

woensdag, juli 25, 2007

Black molly

De Black molly.


Tot de levendbarenden tandkarpers behoren enkele van de meest bekende aquariumvissen. Het zijn vooral de kweekvormen van de gup, zwaarddrager, platy en de black molly die vaak in de vakhandel worden aangeboden. De laatste kweekvorm heeft zijn naam te danken aan een vis die Le Sueur in 1821 beschreef. In dat jaar beschreef hij namelijk Mollienesia latipinna. De naam van het genus werd ter ere van de toenmalige minister van financiën in Frankrijk gekozen.


Vissen afkomstig van Dorien Ruiter en René van der Ploeg.
De vis die beschreven werd was een levendbarende tandkarper met een hoge en brede rugvin uit de USA met een tot een ‘stokje’ vergroeide aarsvin. In dezelfde beschrijving noemde Le Sueur ook nog Poecilia multilineata, een vis die wel op de vorige leek, maar een korte rugvin en een ronde aarsvin had. Pas later werd duidelijk dat dit het vrouwtje van de vis met de hoge rugvin was en dat de tot een ‘stokje’ het mannelijk geslachtsorgaan was.
In de loop der tijden werden er meer vissen aan het genus Mollienesia toegevoegd en deze soorten kregen de naam Molly’s. Naast de reeds aanwezige soort waarvan de mannetjes een grote rugvin hebben, waren dit vooral veel soorten met een kleinere rugvin.
Het genus Mollienesia wordt tegenwoordig gezien als een subgenus van Poecilia en de molly’s kunnen dan ook in dit genus worden aangetroffen. Mollienesia latipinna heet dan tegenwoordig ook Poecilia latipinna.


Al snel werd duidelijk dat de Molly’s nauw aan elkaar verwant zijn en onderling eenvoudig te kruisen zijn en dan vruchtbare nakomelingen krijgen. Door verder te selecteren op de zwarte kleur die in sommige populaties van molly’s als Poecilia sphenops en Poecilia mexicana voorkomt en waar nodig ook deze soorten onderling te kruisen, ontstond een geheel zwarte levendbarende tandkarper die in de Engelstalige landen al snel de naam Black Molly kreeg.

Oorspronkelijk waren dit vissen met een korte rugvin. Door molly’s met een grotere rugvin, zoals de al eerder genoemde Poecilia latipinna en Poecilia velifera (hoogvinkarper), in te kruisen en vervolgens door te blijven gaan met selectieve kweek, kwamen er ook zwarte molly’s met een hoge rugvin. De gele band die deze vissen vaak boven in de rugvin hebben, is nog een kenmerk van de hoogvinkarper.
Daarnaast zijn er tegenwoordig ook soorten met verlengde vinnen beschikbaar. De kleur van gekweekte molly’s beperkt zich al lang niet meer tot zwart. Ook bijna witte, bonte en zelfs rode exemplaren zijn verkrijgbaar.


Een van de eerste levendbarende vissen die ik ooit in bezit kreeg, waren Black molly`s, ik denk dat ik toen een jaar of 8 oud was. Mijn vader had al in die tijd een aquarium dat 400 cm lang was en 150 cm breed en 150 cm hoog, deze stond over de gehele lengte van de huiskamer, een waar panorama. Naast dit aquarium had hij al een vrij groot biologisch filter staan, in die tijd werd deze techniek nog niet erg vaak gebruikt. Ik spreek over de jaren eind 60 begin 70 van de vorige eeuw, mijn vader kweekte in die tijd van allerlei soorten vissen.

In die tijd was het een ware kunst om vissen tot voortplanting te kunnen verkrijgen, en laat staan in leven te houden en op te kweken, men had toen nog niet zoveel verschillende hulp- middelen als tegenwoordig. Ook vertelt mijn vader mij nu vaak, dat in die tijd, ook nog niet zoveel verschillende soorten voer, als wat er tegenwoordig gebruikt wordt, beschikbaar was, hooguit een pot Tertra min en wat gedroogde tubifex en andere gedroogde water insecten.
Hij vertelt mij vaak, dat hij er op uit moest trekken, om levend voer te vangen, een echte sport naast het houden en kweken van vissen. In die tijd was men echt fultime bezig met hun hobby, wat dat betreft hebben wij het nu stukken makkelijker.

Mijn vader vertelt mij ook al te vaak, dat ik er al erg vroeg bij was, wat de aquarium hobby betreft. Ik pakte volgens zijn vertellen iedere zondagochtend een stoel, en een pan met koud water, hier deed ik de door mij gevangen vis in die ik eerst lokte met wat droogvoer.
Helaas was het water in de pan vaak of te heet of te koud, zodat er verschillende visjes door mij naar de vissenhemel werden gezonden( ach hoe kon ik dat nu toch ook weten).

Ik wil graag nog iets vertellen over wat mijn vader en ik op veel latere leeftijd meemaakten, ik kweekte al aardig wat visjes, vooral Black molly`s, guppen en platys. Mijn vader was net gestopt met werken, dit doordat hij met pension kon. Mijn vader en ik hebben geen zitvlees, dus ging mijn vader tuintjes bij kennissen bijhouden, in een van deze tuinen was een grote vijver die ook erg diep was, in het midden stond een grote brede hoeveelheid riet, door dit riet blijf de vijver goed voorzien van zuurstof en bleef het daar altijd blijkbaar iets warmer dan in de rest van de vijver. In deze vijver stond een grote pomp, met een grote bruissteen, hierdoor bleef de vijver altijd s`winters vrij van ijs, dit door de beweging van de belletjes van de bruisseen (luchtsteen).


Voor de gein wilde mijn vader er wat Black molly`s en wat andere tropische vissen in los laten, zo gezegd zo gedaan mij leek het ook wel leuk. Uiteraard stond de eigenaar vreemd te kijken. Wij vergaten echter de visjes er in de herfst uit te halen. Wat schetste onze verbazing de volgende lente, bij het voorjaars klaar maken van de vijver, de Black molly`s waren blijven leven, hoe of dat nu kon, dat begrepen wij echter niet , Black molly`s zijn immers warmte gevoelig. Ik moet er wel bij vertellen dat het een warme winter was geweest, maar ja hoe kon dit nu.
Deze sluierstaart molly`s zijn afkomstig van:
Dorien Ruiter en René van der Ploeg.
Ik vertelde dit op een bijeenkomst van de werkgroep van levendbarende tandkarpers, hier werd ik totaal voor gek verklaard. Ik had wat visjes uit gevangen, voor verschillende leden van deze werkgroep, die mij later konden vertellen dat ze nog nooit zulke sterke Black molly`s hadden gekregen, meestal door erg sterke inteelt zijn deze visjes erg gevoelig voor peperstip. Het jaar er na was het een strenge winter en hebben wij nooit meer de Black molly`s terug kunnen vinden, helaas allemaal naar de vissenhemel vertrokken door de kou.
Ik vond het wel eens een keertje leuk om ook weer eens iets over mijn vader en mij te vertellen, enkel door hem en met hem, heb ik deze hobby uit kunnen breiden tot wat ik nu ten hedendagen doe.


Geschreven door Kees de Jong en Leo van der Meer.
Foto`s Leo van der Meer.
Met dank aan, Dorien Ruiter en René van der Ploeg.

dinsdag, juli 17, 2007

De overdracht van sperma bij een stiekeme paring.

Guppen zijn eilevendbarend en hebben een inwendige bevruchting. De mannetjes brengen met behulp van hun tot geslachtsorgaan (gonopodium) omgevormde aarsvin spermapakketjes in de geslachtsopening van de vrouwtjes. Deze zijn in staat om de spermapakketjes op te slaan en daardoor een groot aantal worpen van één bevruchting te krijgen. De mannetjes hebben twee verschillende voortplantingsstrategieën:
Met een balts, waarbij de mannetjes met gespreide vinnen voor het vrouwtje langs zwemmen en haar proberen over te halen te paren. Als ze ingaat op zijn liefdesspel, zal ze meewerken aan de paring en in een cirkeltje rondzwemmen waarbij de geslachtsopening zichtbaar is.


Als deze aanpak niet succesvol is heeft het mannetje de mogelijkheid om via een stiekeme paring te proberen om het vrouwtje te bevruchten. Hierbij benadert hij haar van achteren en probeert om het gonopodium in de geslachtsopening van het vrouwtje brengen om de spermapakketjes over te brengen. In dit geval vindt de paring dus plaats zonder medewerking van het vrouwtje.


Bij de gup kunnen de mannetjes van beide strategieën gebruik maken. De mate waarin voor een bepaald gedrag wordt gekozen, hangt sterk af van een aantal factoren. Het aantal stiekeme paringen worden onder meer beïnvloed door de vrouwelijke ontvankelijkheid, veel predatoren, stroming en het aantal mannetjes.


De vrouwtjes zijn alleen ontvankelijk voor de balts van de mannetjes als ze nog niet eerder bevrucht zijn of in de eerste 36 uur na de geboorte van de jongen. Tijdens de overige 24 tot 28 dagen van de voortplantingscyclus zijn de vrouwtjes niet ontvankelijk voor mannelijk initiatief en werken niet mee met de paring. Een mannetje kan een vrouwtje dan alleen door middel van een stiekeme paring bevruchten. Dit doen mannetjes in sommige populaties zeer intensief en het komt voor dat vrouwtjes elke minuut op deze wijze door een mannetje worden benaderd.


Rond 1950 was het beeld ontstaan dat stiekeme paringen nauwelijks tot bevruchting van de vrouwtjes leiden. Er is niet veel onderzoek naar dit gedrag gedaan. Aan het einde van de vorige eeuw zijn er enkele onderzoeken geweest die duidelijk maakte dat, hoewel de hoeveelheid sperma die wordt overgebracht bij normale paringen groter is, er toch veel sperma door middel van stiekeme paringen wordt geïnsemineerd. Met in het achterhoofd het grote aantal stiekeme paringen onderzochten Matthews en Magurran of de stiekeme paring in het wild een effectieve manier om niet ontvankelijke vrouwtjes te bevruchten en hoeveel vrouwtjes op deze manier bevrucht worden.


Voor dit onderzoek werden 250 vrouwtjes uit het Caroni-stroomgebied in Trinidad verzameld. Nadat deze vrouwtjes gedood waren, werden ze binnen 12 uur gecontroleerd op de aanwezigheid van sperma en werd nagegaan in welke ontwikkelingsfase zich eventuele jongen bevonden. Eerder onderzoek in het laboratorium had aangetoond dat sperma tot 8 dagen na de bevruchting kan worden achterhaald in het oviduct van de vrouwtjes. Zoals bekend kunnen gupvrouwtjes ook sperma opslaan, dit gebeurt echter niet in het oviduct. De hier gebruikte methode biedt niet de mogelijkheid om opgeslagen sperma te herkennen. Aangezien guppen geen superfoetatie hebben, is de ontwikkeling van alle jongen gelijk. Afhankelijk van de ontwikkeling van de embryo’s werden de vrouwtjes in groep 1 tot en met 4 geplaatst, waarbij groep 4 het verst ontwikkeld was.


Van de groepen in ontwikkelingsstadium 1 en 2 werd bij 15% van de vrouwtjes sperma gevonden. De aanwezigheid van dit sperma hoeft niet door stiekeme paring te worden overgebracht, zoals al eerder is aangegeven. De overige 133 vrouwtjes hadden volgroeide embryo’s. Van de vrouwtjes met jongen in ontwikkelingsfase 3 kon bij 16% sperma worden gevonden en bij de groep in fase 4 was dit 13%. Bij de vrouwtjes in deze groepen was er minimaal een week voorbij gegaan dat ze ontvankelijk waren voor een paring en er kan dus worden aangenomen dat dit sperma is overgebracht door een stiekeme paring.


Hiermee is aangetoond dat door middel van stiekeme paringen bij guppen wel degelijk sperma wordt overgebracht en dat dit niet zo marginaal is, als lange tijd werd aangenomen.
Het onderzoek kon niet aantonen of de aangetroffen sperma van één of meer bevruchtingen afkomstig was of dat het om één mannetje ging. Het is mogelijk dat er bij elk vrouwtjes sprake is geweest van meerdere succesvolle stiekeme paringen.


Ook maken de cijfers duidelijk dat het voor de mannetjes loont om energie te steken in de stiekeme paringen. Er is immers een goede kans om zich voort te planten.


LiteratuurI.M. Matthews & A.E. Magurran (2000) Evidence for sperm transfer during sneaky mating in wild Trinidadian guppies. Journal of Fish Biology (56):
1381-1386.

Geschreven door Kees de Jong.
Foto`s Leo van der Meer.

donderdag, juli 12, 2007

Xiphophorus helleri

De zwaarddrager, Xiphophorus helleri.

Foto boven: gewone X.helleri, aquarium winkel.

Geschreven door Kees de Jong.
Toen Heckel in 1848 een vis onder de naam Xiphophorus hellerii beschreef, kon hij niet vermoeden dat deze vis na de import een kleine 70 jaar later een door zoveel mensen gehouden aquariumvis zou gaan worden. De naam Xiphophorus is ontleend aan het Griekse zwaarddrager en refereert, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, aan het tot geslachtsorgaan omgevormde aarsvin (gonopodium) bij de mannetjes en niet aan de verlengde onderste vinstralen van de staartvin. Het is juist deze zo identieke staartvin bij de mannetjes die de soort in hobbykringen de naam zwaarddrager heeft bezorgd.

Xiphophorus helleri sp.,,PMH`` , nu X.mayae.
( let op de vijf strepen horizontaal, ook wel 5 streep helleri genoemd).
Hoewel het houden en kweken van vissen in de jaren vlak voor de eerste wereldoorlog veel meer inzet en inventiviteit van de aquariaan vroegen dan tegenwoordig het met het uitgebreide assortiment aan beschikbare hulpmiddelen in de gemiddelde dierenwinkel het geval is, gaf de kweek van de zwaarddrager na de eerste import in 1909 weinig problemen. Al snel verschijnen dan ook de eerste artikelen in de Duitstalige aquariumliteratuur.

Foto boven: X.helleri Rio Atoyac.
De soort is over het algemeen eenvoudig te houden en te kweken. Net als de gup, de black molly en de nauw verwant platy behoort de zwaarddrager tot de levendbarende tandkarpers. Bij deze groep vissen worden de eitjes in het lichaam van het vrouwtje bevrucht en op het moment van uitkomen, verlaten de jongen het moederlichaam. Indien het aquarium niet te klein is en er voldoende schuilplaatsen in de onderste en middelste waterlagen aanwezig zijn, zullen er altijd jonge zwaarddragers overblijven en volwassen worden. In tegenstelling tot jonge guppen en molly’s, waarvan de jongen zich de eerste tijd in de buurt van de oppervlak ophouden, blijven de jongen van de zwaarddrager in de buurt van de bodem. Vooral een bos Javamos kan een prima schuilplaats voor de kleine visjes vormen. Een vrouwtje van de zwaarddrager kan een groot aantal jongen werpen. Het record staat op 398 en het is dus voor de gemiddelde liefhebber ook niet nodig om er voor te zorgen dat een complete worp groot wordt.

X.helleri normale kweekvorm.
Het groot brengen van de jongen is niet moeilijk, maar het duurt wel enige tijd voordat de vissen volwassen zijn. Vrouwtjes kunnen na ongeveer 6 maanden geslachtsrijp zijn, bij de mannetjes kan dit veel langer duren. Zo kan het moment van geslachtsrijp worden door de aanwezigheid van andere mannetjes in het aquarium worden afgeremd. Ook zijn er bij zwaaddragers twee soorten mannetjes te onderscheiden. Vroegrijpe slanke mannetjes en de laatrijpe veel forsere en qua lichaamsbouw vrouwelijkere mannetjes. Vooral bij deze laatste kan het wel tot 1 ½ jaar duren voordat het de secundaire geslachtskenmerken zoals zwaard en gonopodium zichtbaar worden. Daarna functioneren deze vissen als normale mannetjes. Deze punten zorgden er voor dat men vroeger de indruk had dat vrouwtjes in mannetjes konden veranderen. Hiervoor is nooit enig bewijs geleverd en deze conclusie kan dan ook naar het rijk der fabelen worden verwezen. Het is ooit eens door iemand opgeschreven en daarna altijd weer overgeschreven. Helaas duikt deze misvatting ook tegenwoordig af en toe weer op in allerlei artikelen.

Foto boven: vrouw X.helleri.
De groene zwaarddrager heeft een groot verspreidingsgebied dat loopt van de oostkant van Midden-Mexico tot aan noordwest Honduras. Een gebied met een lengte van meer dan 1100 km. In dit gebied wordt de vis aangetroffen in zowel snelstromende rivieren als stilstaand water. Aangezien deze verschillende biotopen andere eisen aan hun bewoners stellen kan de lichaamsbouw van de vissen verschillen. Een ander gevolg van deze verschillende omstandigheden betreft de vorm van het gonopodium. Aan het uiteinde hiervan bevinden zich haakjes die een belangrijke rol bij de bevruchting spelen. Bij vissen die in snel stromend water leven zijn deze haakjes groter dan bij de populaties die zich hebben aangepast aan stilstaand water.

Twee mannen X.helleri beide anders van grondkleur.
Ook de kleur van de zwaarddrager kan erg verschillen. Dit verschil is zowel tussen verschillende populaties als binnen één populatie aanwezig. De lengtestreep over de zijkant van het lichaam varieert van donkerbruin bij de meest noordelijk populaties tot enkele rode strepen bij de zuidelijke.
Hoe variabel de soort binnen een populatie in kleur en tekening (polymorf) kan zijn, kon ik zelf waarnemen tijdens mijn vakantie die ik in 1996 in Mexico hield. Tijdens deze reis bezocht ik de Rio Atoyac in de staat Vercruz.

Xiphophorus helleri Rio atoyac.
Deze plek wordt in de literatuur vaak genoemd vanwege zijn fraaie zwaarddragers en leek ons dan ook een bezoek waard. Toen we na enig zoeken in het plaatsje Carillo Puerto aankwamen reden we over een diep ravijn waarin we de Rio Atoyac zagen stromen. Nadat we toestemming van de bewoners hadden gevraagd, mochten we langs een smalle weg naar beneden rijden en konden de rivier nauwkeuriger bekijken. De bedding van de ongeveer 7 meter rivier bestond uit rolkeien van verschillend formaat. Deze waren bedekt met een laag sediment en hier en daar zagen we een bos op waterpest lijkende planten.

X.helleri man.
De diepte varieerde van anderhalve meter tot slechts 40 centimeter meer stroomopwaarts. In het kristalheldere water zagen we meteen grote groepen zwaarddragers die aan het fourageren waren. In de bovenste waterlagen zwommen Pseudoxiphophorus bimaculatus en Pseudoxiphophorus jonesi. Verderop vingen we later nog de molly Poecilia mexicana mexicana.
Enthousiast geworden door deze aanblik sprongen we snel een sleepnet in het water om te proberen om enkele exemplaren van de aanwezige vissen te vangen. Dit lukte al vrij snel en met enkele snelle bewegingen hadden we ook enkele zwaarddragers in ons net. Het viel meteen op dat de vissen qua kleur en tekening erg verschilden. Zo waren er vissen met en zonder zwarte vlekken en was ook de tekening in de staartwortel erg verschillend. Natuurlijk gingen we ook op zoek naar de rode mannetjes die volgens de literatuur bij deze populatie aanwezig moeten zijn. Na lang zoeken zagen we één mannetje met deze kleur zwemmen.


X.helleri man en vrouw.
Pogingen om deze fraaie vis te vangen liepen allemaal op niets uit. Hij zag telkens mogelijkheden om tussen de keien weg te duiken. Verder zagen we geen rode mannetjes zwemmen.
Alle zwaarddragers overleefden de reis en konden in een grote groep in het aquarium worden gedaan. Hierbij heb ik niet op kenmerken geselecteerd en alle vissen door elkaar gehouden. Hierdoor hoop ik zoveel mogelijk van de natuurlijke tekening en kleur in mijn groep te houden.

Vrouw hoog zwanger X.helleri.
Uit bovenstaande beschrijving blijkt al dat er binnen één populatie een groot aantal kenmerken voorkomt die als basis kan dienen voor een selectieve kweek. Het gebruiken van zwaarddragers uit andere biotopen kan hieraan nog nieuwe kenmerken toevoegen. Daarnaast is er nog een genetische pool met veel kenmerken waar bij de eerste selectieve kweek veel gebruik van werd gemaakt. Zwaardragers blijken eenvoudig te kruisen met platy’s en zo werden ook veel kenmerken van deze kleinere visjes toegevoegd. Door fanatiek te kweken op bepaalde kenmerken en ook te blijven letten op de lichaamsvorm van de zwaarddrager zijn er tegenwoordig veel kweekvormen bekend. In de gemiddelde aquariumwinkel zijn meestal alleen nog maar kweekvormen aanwezig.

Xiphophorus helleri Catemaco meer,nu X.kallmani.
Een nadeel van de meeste van deze kweekvormen is echter wel dat ze het oorspronkelijke gedrag van de zwaarddrager niet meer hebben. Is de balts en de vitaliteit in de natuur een belangrijke selectiemechanisme, bij een selectie op kleur of tekening door een kweker gaat dit aspect natuurlijk verloren. In vergelijking met hun natuurlijke soortgenoten maken de gekweekte stammen vaak een slome indruk.
Het gaat te ver om alle kweekvormen hier te noemen. Enkele bekende die regelmatig kunnen worden aangetroffen zijn: de rode zwaarddrager, de wagtial zwaarddrager (met zwarte vinnen), de albino zwaarddrager en de zwarte zwaarddrager.
Naast de verschillen in de kleuren zijn er ook vormen met afwijkende vinnen bekend. Naast de hoogvinnige vorm bestaat er ook een vorm waarvan alle vinnen verlengd zijn. Het verlengen van deze vinnen wordt veroorzaakt door de Lyra-factor. Een bijkomend gevolg van deze factor is ook dat het geslachtsorgaan van de mannetjes dusdanig lang wordt dat het onbruikbaar is.


Twee mannen X.helleri let goed op verschillende grondkleur.
Het is onmogelijk om dit lange en vaak ook nog gedraaide orgaan te draaien en de wijfjes te bevruchten. Om deze vorm te kweken moeten mannetjes met normale vinnen worden gebruikt. Indien deze worden gepaard aan vrouwtjes met de Lyra-factor, zal de helft van de jongen ook deze lange vinnen hebben.
Groene zwaarddragers kunnen, afhankelijk van de populatie of kweekvorm, wel 10 cm lang worden en hebben dan ook een ruim aquarium nodig. Verder worden er nauwelijks eisen gesteld en ze zijn dan ook prima geschikt voor elk aquarium. Het houden van de oorspronkelijke vitale vorm is zeker het proberen waard. Onder gespecialiseerde liefhebbers worden vaak zwaarddragers met een vangplaats gehouden.



Foto boven X.helleri man Rio Atoyac.
Geschreven door Kees de Jong.
Gefotografeerd door Leo van der Meer.

Deze schitterende Xiphophorus helleri, zijn afkomstig van Marco Verheij.X.kallmani Ludo Couvreur, X.Mayae Dave Mac Callester, X.atoyac Kees de Jong.