maandag, oktober 15, 2007

Scolichthys iota

Scolichthys iota Rosen, 1967


Foto boven: Man Scolichthys iota.
Synoniemen:
Geen


Foto boven twee jonge vrouwen S.iota.
Nederlands naam:
Niet aanwezig.


Foto boven: twee volwassen mannen.
Beschrijving:
D.E. Rosen (1967): New Poeciliid fishes from Guatemala, with comments on the origins of some South and Central American forms. American Museum Novitates (2303): 1-15

Naamgeving:
Scolichthys – afgeleid van het Griekse ‘skolos’ (doorn of stekel) en ‘ichthys’ (vis). Dit verwijst naar de kenmerkende gonopodiumpunt.
Iota – De Griekse letter ‘i’, de kleinste letter van het alfabet. Dit verwijst naar het feit dat het een zeer kleine soort is.


Foto boven: Scolichthys iota.
Foto beneden: zijn iets grotere familie Scolichthys Greenwayi.

Verspreiding:
Deze levendbarende tandkarper komt alleen voor in de Río Chajmaic, onderdeel van het Rio Usumacinta stroomgebied in de staat Alta Verapaz in Guatemala, en de zijriviertjes hiervan en dan vooral in de Río Semococh.. Door een bergrug wordt dit deel van de rivier van de hoofdstroom afgesneden, waardoor er een geïsoleerd gebied is ontstaan.
Klaus Schneider heeft dit gebied de afgelopen jaren vaak bezocht en op al deze bezoeken gegevens verzameld.
Naast S. iota komt er nog een aantal soorten endemisch voor. De levendbarende tandkarpers Xiphophorus signum Rosen & Kallman, 1969 en Pseudoxiphophorus diremptus (Rosen, 1979) en een tot de karperzalmen behorende Bramocharax-soort. Verder nog onder andere: de killi Rivulus tenuis, de karperzalm Astyanax aeneus, een grondel uit het genus Leptophylipnus, de meerval Rhamdia guatemalensis en de cichliden Chuco intermedius en Parachromis friedrichsthalii. Naast deze vissen ook nog garnalen uit het genus Macrobrachium en kreeften uit het genus Procambarus.
De waterplanten in deze stroom waren Ludwigia cf repens, Pontederia rotundifolia, Foninalis en hoornblad.
S. iota leeft hier tussen het riet en de planten aan de oevers, waar de stroming minder sterk is. Hier wordt dit visje echter niet altijd in grote hoeveelheden aangetroffen. Tijdens zijn bezoeken vanaf 2001 heeft Klaus de soort niet altijd kunnen verzamelen en ze komen niet altijd in grote hoeveelheden voor.
Vanaf 2004 zijn er ook Afrikaanse tilapia’s (Oreochromis spec.) gevangen en sindsdien lijkt het aantal S. iota, P. diremptus en X. signum te zijn afgenomen. Of hier sprake is van een oorzakelijk verband moet nog worden vastgesteld.
De watertemperatuur is tussen de 22 en 25ºC. De overige waarden die zijn gemeten: pH 7,5, de KH 8,5º, de GH 11º en de elektrische geleidbaarheid rond de 280 μS.


Uiterlijk:
Op de bovenkant van het slanke lichaam bevindt zich een nettekening en de buikzijde is licht van kleur. Soms neigt deze naar goudkleurig. De borstvinnen van de mannetjes hebben soms een lichtblauwe rand. Het zijn geen spectaculair gekleurde visjes en de enige kenmerken zijn zwart. Midden op het lichaam is een donkere vlek die ook bij de pasgeboren jongen aanwezig is. Afhankelijk van de stemming van de vissen zijn er nog vier tot zeven zwarte vlekken op de zijkant van het lichaam zichtbaar. Het komt echter regelmatig voor dat deze tekening niet aanwezig is en dat alleen de vlek op het midden van het lichaam zichtbaar is. Overigens is deze vlek een kenmerk dat S. iota met zijn grotere verwant Scolichthys greenwayi gemeen heeft. Boven de aarsvin van de vrouwtjes is een zwart vlek aanwezig. In de rugvin bevinden zicht twee zwarte bandjes. Het opvallend gevormde gonopodium van de mannetjes is lang en komt bijna tot aan de staartwortel.


Grootte:
In zijn beschrijving geeft Rosen (1967) aan dat het om een zeer kleine soort gaat. Als lengte voor de mannetjes geeft hij 15 mm en met 22 mm zijn ook de vrouwtjes klein te noemen. In een eerder door Kees de Jong geschreven artikel over de kleinste vissen, zou deze soort dan ook in de top tien eindigen. Nu ik de soort bijna een jaar in het aquarium heb gehouden, valt het me op dat sommige exemplaren beduidend groter worden. Een mannetje van bijna 4 cm en een vrouwtje van 5 cm zijn niet uitzonderlijk. Mogelijk heeft dit te maken met de grotere hoeveelheid voedsel die de vissen in het aquarium krijgen. De meeste mannetjes zijn beduidend kleiner en blijven in de buurt van de door Rosen aangegeven grootte.


Verzorging en kweek:
Het heeft een tijd geduurd voordat deze soort in de hobby beschikbaar kwam. Eerdere bezoeken aan het gebied hadden al wel de fraaie kommazwaarddrager (X. signum) voor de hobby opgeleverd, maar de minder opvallende S. iota bleef jarenlang alleen op papier bekend. Door Klaus Schneider meegenomen exemplaren waren wel eens tentoongesteld op bijeenkomsten in Duitsland, maar werden slechts door enkele liefhebbers gehouden. In mei 2005 kreeg Kees de Jong in Wenen een aantal exemplaren van dit visje van Stephan Karlick en deze vormden de basis voor deze soort in Nederland. Tot op heden lijkt de soort vrij eenvoudig te houden. De kweek geeft ook geen problemen, maar de slanke vrouwtjes zijn niet erg vruchtbaar. Zeker kleinere vrouwtjes werpen slechts 2 tot 3 jongen per worp. Deze houden zich bovenin het aquarium op en er dienen wel schuilplaatsen voor de kleine jongen aanwezig te zijn. Het is niet nodig om de jongen van de volwassen dieren te scheiden en de soort is dan ook prima in een groep te houden en te kweken. Als er eenmaal een groepje van deze vissen in het aquarium aanwezig gaat, de kweek redelijk snel en zullen er in korte tijd veel van deze vissen in het aquarium zwemmen.
Net als de meeste soorten levendbarende tandkarpers met een lang gonopodium, hebben de mannetjes van S. iota geen balts. Het lange gonopodium zorgt er voor dat ze minder afhankelijk zijn van de medewerking van de bevruchting. Bij een kort gonopodium is het voor de mannetjes noodzakelijk om vlak bij het vrouwtje te komen om haar te bevruchten, met een langer gonopodium hoeft dit niet. Het mannetjes is in staat de punt van het gonopodium te zien en op die manier het overbrengen van sperma uit te voeren. De mannetjes maken een onvermoeibare indruk en zijn de hele dag bezig met pogingen om vrouwtjes te bevruchten. Hierbij benaderen ze het vrouwtje van onderen.
Gezien het feit dat de vissen zich in de natuur tussen de planten ophouden en ook gezien hun geringe grootte, is het niet nodig om voor deze visjes een groot aquarium te reserveren. Een lengte van 40 cm is voldoende.
Al het voer wordt zonder problemen gegeten, maar gezien de geringe afmetingen van de visjes moet dit niet te groot zijn. Net als bij alle andere soorten is variatie wel van belang.
Hoewel de temperatuur in het natuurlijke verspreidingsgebied tussen de 22 en de 25ºC schommelt, is S. iota goed bestand tegen lagere temperaturen. Een temperatuur van 16ºC is ook over een langere periode geen probleem. De vissen worden wel minder actief en de kweek stopt. Als de temperatuur weer in de buurt van de 20ºC komt, worden er weer jongen geboren. Tijdens de rustperiode eten de visjes niet veel en het is van belang om er voor te zorgen dat er geen grote hoeveelheden voer op de bodem terecht komen. De waterkwaliteit kan dan snel achteruit gaan. Eenmaal per week een groot deel van het water verversen komt de vitaliteit van de vissen ten goede.


Opmerkingen:
De beide soorten uit het genus Scolichthys zijn geïsoleerde soorten die slechts een klein verspreidingsgebied in Guatemala hebben. Vanuit dit gebied zijn ze niet in staat gebleken zich verder te verspreiden. Rosen geeft aan dat het gaat om de laatste vertegenwoordigers van een vroegere invasie van levendbarende tandkarpers uit Zuid-Amerika en ziet het als primitieve vissen. Het genus Scolichthys zou mogelijk in de tijd dat de Panamese landengte nog uit een archipel van eilanden bestond naar het noorden zijn getrokken. Later is het genus door de komst van andere Poeciliidae teruggedrongen tot een aantal geïsoleerde gebieden.
De soorten van het genus Scolichthys zijn, volgens Rosen (1967), dan ook nauwer verwant met de Zuid-Amerikaanse genera Phalloceros, Phallotorynus, Cnesterodon en Phalloptychus dan met de in Midden-Amerika voorkomende levendbarende tandkarpers.


Literatuur:
J.J. de Greef (1995): Xenodexia ctenolepis Hubbs, 1950, een enigma onder de Poeciilidae. Poecilia Nieuws (1): 11-18
K. Jakobs (1979): Klein, hübsch und selten: Scolichthys greenwayi und iota. Aquarien Magazin (7): 353-353
K. de Jong (1995): Bekend en onbekend, het genus Scolichthys. Poecilia Nieuws (5): 92-97
K. de Jong (1997): Wie is de kleinste. Poecilia Nieuws (4): 68-70
D. MacAllister (2004): Scollichthys iota. Livebearer News (7): 27-27
D.E. Rosen (1967): New Poeciliid fishes from Guatemala, with comments on the origins of some South and Central American forms. American Museum Novitates (2303): 1-15
D.E. Rosen (1979): Fishes from the uplands and intermontane basins of Guatemala: revisionary studies and comparative geography. Bulletin of the American Museum of Natural History (162): 269-375


Tekst`: Klaus Schneider & Kees de Jong.
Foto`s : Leo van der Meer.

maandag, oktober 01, 2007

Limia perugiae

Limia perugiae.

Heer en dame Limia perugiae.
Het genus Limia is afgeleid van het Spaanse woord `Limus’,dat leem betekent (soort klei). Dit verwijst naar de bodem van het biotoop waar ze leven. Limia perugiae is afkomstig van de Dominicaanse republiek, waar ook andere Limia`s vandaan komen.


Een flitsend koppeltje Limia perugiae.
In het genus Limia zitten verschillende zeer kleurrijke levendbarende tandkarpers, waaronder Limia nigrofasciata en Limia melanorgastor, die heel soms ook in aquariumzaken voorkomen. Dit genus Limia, bevat meer dan 20 verschillende soorten, waarvan er enkele in het aquarium gehouden kunnen en worden gehouden, zo ook Limia perugiae. In dit genus zijn Limia perugiae en Limia vittata de grootste van dit genus, Limia perugiae kan als hij volledig uit gegroeid is wel 10 cm groot worden. In verschillende andere landen waaronder Frankrijk, vertelt men dat Limia perugiae uit twee verschillende soorten bestaat, een grote soort die 10 cm groot kan worden, en een kleinere soort die 4 cm kleiner blijft. Kees Baardmans had er erg veel in zijn aquarium zitten, welke hij uit Frankrijk gehaald had. Nadat hij ze ruimer ging houden, en veel water ging verversen, en ze uiteraard op een goed voer zette, werden de vissen groter en werden 10 cm lang, hierdoor twijfel ik of er echt twee soorten Limia perugiae bestaan. Uiteraard ben ik geen wetenschapper dus ik houd mij dan ook op een soort Limia perugiae.

Een dominant mannetje.
Limia perugiae, kan men het beste houden in een groot aquarium, dit vanwege zijn formaat.
Men zegt dat dit soort het beste in een speciaalaquarium gehouden kan worden,(speciaal bedoel ik mee, alleen met dit soort) maar ook in een gezelschap aquarium zijn ze goed houdbaar. Kees Baardmans had ze een jaar of zeven geleden aan mij mee gegeven, maar na een tijdje was ik er op uit gekeken, ik heb ze toen aan gemeentewerken in Amsterdam gegeven, gelukkig zijn ze erg zuinig op mijn vissen geweest, zodat ik er nu op terug kan vallen.
In het aquarium van de gemeente zwommen ze samen in een gezelschapsaquarium, ook hier doen ze het erg goed, uiteraard mits je ze wel genoeg zwemruimte geeft.
Limia perugiae, is zeer vruchtbaar, ze kunnen wel tot 100 jongen in een keer werpen, ze eten hun kroost nauwelijks op, hierdoor is er in het aquarium snel een overschot.


Kijk eens naar die schitterende kleuren.
Als er eenmaal een grote school van dit soort in het aquarium zwemt, krijgt men snel enkele dominante mannen, deze ontwikkelen zich dan tot prachtige forse vissen met een fraaie iriserende glans,een donkere rugvin en een gele staart. De vrouwtjes missen de fraaie kleuren in de vinnen,maar hebben, wanneer ze geslachtrijp zijn, wel de prachtige glans op het lichaam. In de rugvin hebben ze de voor het genus Limia kenmerkende zwarte punt. De nog niet volwassen dieren zijn slanker van vorm en missen de fraaie kleuren van de volwassen vissen.
Het verschijnsel dat een dominant mannetje de fraaiste kleuren laat zien, en bovendien vaak groter is dan de andere aanwezige mannetjes (polymorphisme), kan bij veel levendbarende tandkarpers, die in schoolverband leven, worden aangetroffen. De dominante of alpha-mannetjes zijn duidelijk de baas in de school, en zijn constant bezig om de andere mannetjes te achtervolgen. Ook hebben zij het meest uitgesproken baltsgedrag, waarbij ze met gespreide vinnen voor het vrouwtje pronken. Zeker waneer men nog rekening houdt met het feit, dat de vrouwtjes een voorkeur hebben voor de grootste mannen, lijkt het in de lijn van de verwachting te liggen, dat de nakomelingen afkomstig zijn van de dominante man. Door schart et al is aan de hand van DNA-onderzoek aangetoond dat dit bij de aanwezigheid van twee mannetjes ook al het geval is. Waneer er echter meerdere mannen van verschillend formaat aanwezig zijn, bleek dat de dominante en kleinste mannetjes geen nakomelingen meer hebben.Alleen de tussenliggende mannetjes hebben nakomelingen. Overigens kunnen deze mannetjes nakomelingen in groottes krijgen, waardoor er altijd weer dominante mannetjes ontstaan. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar het artikel van C.Elbelding-Denk et al uit 1994.

Een dame Limia perugiae.
Als voeding kun je ze bijna alles geven wat eetbaar is voor aquariumvissen , zowel levend, diepvries als droogvoer. Gelukkig is er tegenwoordig erg veel in de handel verkrijgbaar, en via internet te bestellen dus thuis geleverd, wat u weer veel tijd scheelt. Uiteraard kunt u uw jongen apart opvangen, maar dit is niet nodig, dit omdat ze vele jongen werpen, waar er altijd genoeg van in leven blijven. Uiteraard is het wel raadzaam om uw voer wat kleiner te wrijven tussen duim een wijsvinger, zodat de jongen er ook van kunnen eten.

Een mannetje volledig uitgegroeid.
Door middel van stenen, kienhout en voldoende waterplanten, kunt u schuilgelegenheid maken, dit voor de wat kleinere mannetjes en de jongen, die zich dan voor de grotere of oudere dieren kunnen verschuilen. Verder raad ik wat drijfplantjes aan, waar de jongen zich lekker in thuis voelen. Zelf gebruik ik mandjes met kleine gaatjes, die ik drijvend houd,
door aan beide zijde wat kleine plankjes te bevestigen, hier kunnen wel de jongen maar niet hun ouders erin.(ik gebruik hier zelf vijverplantenbakjes voor, die in vele tuincentra`s aanwezig zijn).
Het genus broertje en zusje Limia vitatta.
Dit stuk heb ik onder andere geschreven voor mijn veel te vroeg overleden vriend Kees Baardmans, die in al de jaren dat ik hem kende, vele aquarium`s vol had met erg veel vissen. In een van deze bakken had hij ook Limia perugiae, hier zaten er echt honderden tegelijk in, en alles bleef altijd leven, terwijl ze kieuw aan kieuw in het aquarium zwommen, dit is mij nooit gelukt, om er zoveel te kweken en in leven te houden. Verder wil ik via deze weg de gemeentewerf Kwakersplein te Amsterdam danken, voor de vissen die ik mocht gebruiken. Voor de foto`s met name Arie heel erg bedankt. Dit stuk heb ik samen met stukken van Kees de Jong geschreven en hopelijk er weer iets spannends voor u van gemaakt.


Let u eens op de mooie schitterende kleuren.
Tekst Leo van der Meer.
Foto`s Leo van der Meer

dinsdag, september 11, 2007

Endlers en guppen

Endlers en guppen : het kweken van hybridendoor Karen Koomans

Al ruim 30 jaar gefascineerd door het houden en kweken van (sub)tropische vissen richt mijn aandacht zich de laatste jaren meer en meer op Poecilia - guppen!
Het subgenus Acanthophacelus kent 2 soorten: Poecilia reticulata (het alom bekende guppy) en Poecilia wingei (het Campona guppy, meer algemeen bekend als "Endler's guppy")."

Poecilia raadsels
Guppy's en endlers betoveren mij door hun enorme verscheidenheid aan kleuren, patronen en vormen. Ik geniet niet alleen van het simpelweg kijken daarnaar, ik zie elke gup ook als een raadsel dat ik graag wil ontknopen. Onder invloed van welke genen zijn die kleuren en patronen tot stand gekomen? Welke invloed hebben kleuren, vormen en patronen in het kader van evolutie? Welke combinaties vergroten de kans op veel nageslacht? Of juist de kans op een vroegtijdige dood door een predator? Hebben bepaalde genen exact dezelfde invloed op P. reticulata als op P. wingei? Welke kleuren en patronen kan ik door doelgericht te kweken combineren en welke niet? Vragen te over...!

Hoe meer ik weet van guppy genetica, hoe meer ik me realiseer hoe complex die materie is. Dat vind ik niet erg, integendeel! Het betekent dat er nog heel veel nieuws te ontdekken valt. Voor mij als persoon, maar ook voor gup genetica kenners en liefhebbers in het algemeen. Ook op het hoogste wetenschappelijke niveau is men nog lang niet uitgeleerd waar het genetica betreft! Dat is één van de dingen waarom ik het doelgericht kweken van guppen en endlers zo leuk vind: er wacht altijd een volgende puzzel, een nieuwe uitdaging.

Endler Hybriden
In dit schrijven richt ik me vooral op de kweek van hybriden: kruisingen tussen guppen en endlers. Daar heb ik me, naast het onderhouden van zuivere endlerstammen, vooral het laatste halfjaar veel mee bezig gehouden. Mijn doel daarbij is niet om dieren te kweken die voldoen aan de show-standaards. Dan zou ik mij beter bij guppen alleen kunnen houden! Mijn doelen hebben te maken met een aantal van de bovengenoemde vragen, over vererving en eventuele soort-verschillen tussen endlers en "gewone" guppen. Ik wil graag leren, begrijpen, onderzoeken... Daarnaast vind ik het leuk om dieren te kweken die anders zijn dan de algemeen bekende guppy en endler stammen. En natuurlijk is het een bonus als die dieren dan ook nog door veel mensen mooi worden gevonden.

Hybride endler stam "Hamburg"

De ontwikkeling van deze hybride stam met de naam 'Hamburg' begon met een toeval. Via via kreeg ik een paartje Cumana guppen, heel verwarrend ook wel "zwarte endler" genoemd. Het is een wildguppy uit Venezuela, geen endler dus maar een "gewone" gup, Poecilia reticulata. Helaas stierf het vrouwtje bij de geboorte van haar eerste jongen. Ik gaf het mannetje mee aan een geïnteresseerde kennis en zette de paar jonkies in een apart aquarium, samen met wat jonge Yellow Top Sword endlers. Ik had er vantevoren niet zó diep over nagedacht, maar verwachtte dat de hybride jongen er uit zouden zien als ofwel een Yellow Top Sword endler, ofwel een Cumana guppy. Afhankelijk van de vader van het jong. Dit vanuit het idee dat de vrouwtjes weinig tot niets zichtbaars zouden vererven. Toch wilde ik zien of dat wel klopte, om die reden zette ik jongen van de 2 soorten samen.Tot mijn verrassing waren de F1 jongen anders! De meeste jongen hadden kenmerken van zowel de Cumana gup als de Yellow Top Sword. Hierdoor kreeg mijn interesse om me te verdiepen in het kweken van endler x guppy hybriden een flinke impuls.


plaatje: cumana guppy (foto leo)

De 'Hamburgers' zijn inmiddels ontwikkeld tot een stam die voor circa 95% zuiver vererft op de voor de stam karakteristieke kenmerken.
Op basis van de ontwikkeling en kenmerken van deze hybrides vermoed ik dat de vrouwtjes van mijn Yellow Top Sword stam de volgende kleurkenmerken kunnen vererven: oranje aftekening direct achter de ogen, een verticale zwarte streep midden-onder op het lijf en fel-oranje aftekeningen op het achterlijf (onder). Ik schrijf hier bewust kúnnen vererven, want of deze kenmerken daadwerkelijk zichtbaar zijn bij het nageslacht hangt ook af van de genen die er tegenover staan. Het kan immers zo zijn dat genen afkomstig van het mannetje óók kleur definieren voor eenzelfde plekje op het lijf (bijvoorbeeld direct achter de ogen).

De meeste 'Hamburg' mannetjes zien er nu uit zoals de bovenste op dit plaatje. De pijlen wijzen op de kenmerken die vermoedelijk via de Yellow Top Sword vrouwtjes zijn vererfd:


Enkele andere voorbeelden van hybride Poecilia lijnen in ontwikkeling:


endler-hybride Dubbelzwaard


endler-hybride grondkleur pink


endler-hybride grondkleur creme (blond plus goud)


endler-hybride grondkleur goud



endler-hybride Lazuli (F1)

Soort specifiek
Een aantal van mijn waarnemingen onderschrijven de conclusie van Poeser, Kempkes en Isbrücker, dat het "endler guppy" geen "gewoon" guppy is maar een aparte soort. Ik zie vaak dat een gupman grote voorkeur heeft voor een gupvrouw, en een endlerman voor een endlervrouw. Hetzelfde geldt voor de vrouwtjes, ook zij hebben voorkeur voor een soortgenoot.

Als de dieren niet kúnnen kiezen dan accepteren ze de vreemde soort meestal wel en zo komen er dus hybriden. Ik schrijf 'meestal' omdat ik ook heb meegemaakt dat endlermannetjes een showgupvrouw absoluut niet leken te herkennen als mogelijke partner en zelfs bang waren voor haar! Ik heb toen veel verschillende endlermannetjes geprobeerd bij dat vrouwtje, maar geen van hen heeft haar bevrucht. Elk van die mannetjes zag haar als mogelijk bedreigend, zeker niet als eventuele partner.

In een ander geval wilde een gupman pas endlervrouwtjes accepteren nadat ik de gupvrouwtjes die in het aquarium naast hem zaten had verhuisd. Zolang die gupvrouwtjes in beeld waren baltste dit mannetje alleen naar de buurvrouwen. Hij negeerde de endlervrouwtjes bij hem in het aquarium volkomen. Guppen kennen en herkennen elkaar. Deze gupman was opgegroeid bij de vrouwtjes die nu zijn buren waren...

Toen ik 5 volwassen endlervrouwen bij DZ Störzbach guppen zette in de laatste week van april, duurde het tot begin juli tot de eerste hybrides geboren werden. De meeste endlervrouwtjes kregen nog drie Yellow Top Sword nesten (door opgeslagen sperma te gebruiken), één endlervrouwtje hield het bij twee endlernesten voordat ze 'overschakelde' op het sperma van de guppen. En één van deze vijf dames heeft haar laatste (endler)jongen gekregen midden juli en sindsdien helemaal geen jongen meer. Ze lijkt nu ook niet drachtig te zijn. Er kan een gezondheids- en/of leeftijdsreden voor zijn, maar ik denk dat zij liever géén jongen heeft, dan jongen van die rare dubbelzwaard-wezens...

Voor ons mensen zijn de verschillen tussen gup- en endlervrouw alleen uiterlijk. Bij een wildtype gupvrouw is het verschil voor ons soms zelfs niet of heel moeilijk te zien; de verschillen met een showguppy vrouw zijn meestal wel heel duidelijk. De dieren zelf gebruiken naast uiterlijk ook andere zaken om een soortgenoot/mogelijke partner te herkennen. Geurkenmerken geproduceerd onder invloed van hormonen, bijvoorbeeld.

Ook zijn er aanwijzingen dat sommige genen zich bij guppen anders manifesteren dan bij endlers (endler hybriden). Een halfzwart gen bijvoorbeeld, dat bij hybriden duidelijk anders uitpakt dan het halfzwart zoals we dat bij guppen kennen. Dimitri Farla kweekte een hybride endlerstam in de grondkleur aziatisch blauw (r2). De invloed van de r2-genen op de hybriden zijn heel anders bij deze hybriden, in vergelijking tot 'gewone' guppy's. Dus, zoals al eerder geschreven, er valt nog heel veel te ontdekken: er wacht weer een volgende puzzel, een nieuwe uitdaging!

Geschreven en gefotografeerd door Karen Koomans.
In opdracht van Leo van der Meer.

donderdag, september 06, 2007

Voorkeur voor symmeterie bij Xiphophorus cortezi.

Voorkeur voor symmetrie bij Xiphophorus cortezi.


Xiphophorus cortezi Rio Axtla.
Xiphophorus cortezi is één van de bekendste zwaarddragers uit het Río Panuco gebied. De soort stelt niet veel eisen, maar ze zijn gevoelig voor vervuiling van het water en een temperatuur die langdurig boven de 24°C is. De maximale lengte van deze visjes is 5 cm. Mijn ervaring is dat de vissen niet oud worden, anderhalf jaar is een respectabele leeftijd voor deze vissen. De mannetjes vormen een territorium en daardoor is er meestal maar één volgroeid exemplaar in het aquarium aanwezig. De overige mannetjes worden in hun groei geremd.


Nog een andere vangplaats X.cortezi.
Pas bij het verwijderen van het dominante mannetje zal een ander volledig uitgroeien. Bij een volgroeid mannetje zijn vooral de hoge rugvin, het korte zwaard en meestal een aantal zwarte banden op het lichaam opvallend. De intensiteit van de kleur van deze banden is afhankelijk van de stemming van het mannetje. De kleurintensiteit speelt een rol bij het lokken van de vrouwtjes en het afschrikken van concurrenten. Bij de balts zwemmen de mannetjes voor het vrouwtje heen en weer, waarbij ze beiden kanten van het lichaam laten zien.

X.cortezi Rio Huchihuacan.
Dit gegeven was voor Morris & Casey een reden om een onderzoek te doen naar dit kenmerk bij de mannetjes van de Cortezzwaarddrager. Niet alle mannetjes hebben dwarsbanden en bij de mannetjes die dit wel hebben varieert het aantal banden sterk met een maximum van wel 10, waarbij er een relatie is tussen lichaamslengte en het aantal. Het aantal dwarsbanden verschilt bij bijna tweederde van de exemplaren per lichaamszijde en deze mannetjes hebben een asymmetrische tekening.

Een groepje jongen X.cortezi.
Eenderde van de mannetjes met dwarsbanden had een symmetrische tekening, dus hetzelfde aantal dwarsbanden op de zijkanten van het lichaam. Om een goed experiment uit te kunnen voeren werd met behulp van vriesbranden het aantal dwarsbanden bij twee mannetjes gelijk gemaakt, waarna er bij één van een lichaamszijde twee werden verwijderd. Doordat het aantal dwarsbanden bij een mannetje kon worden aangepast, kon de invloed van andere kenmerken worden uitgeschakeld en kon worden vastgesteld dat de keuze alleen door het symmetrie in de dwarsbanden werd bepaald. In een speciaal ingericht aquarium werd een vrouwtje vervolgens in de gelegenheid gesteld om haar voorkeur duidelijk te maken.

X.cortezi jonge man.
Alle experimenten die werden uitgevoerd, lieten zien dat de vrouwtjes een voorkeur hebben voor mannen met een gelijk aantal dwarsbanden op beide lichaamszijden. Als een mannetje met gelijk aantal dwarsbanden op beide lichaamszijden werd veranderd in een asymmetrische mannetje had een symmetrisch mannetje de voorkeur van de vrouwtjes. De balts van de Cortezzwaardrager, waarbij in een achtvorm heen en weer wordt gezwommen voor het vrouwtje, biedt haar goed de mogelijkheid om een keus te maken. Deze wijze van balts wordt bijna door alle noordelijke zwaarddragers uit het Río Panuco gebied gebruikt.



Xiphophorus malinche.------------------------- Xiphophorus birchmanni.
Een aantal andere soorten uit dit gebied, zoals Xiphophorus malinche en Xiphophorus birchmanni, hebben ook duidelijke dwarsbanden. De mannetjes van de zuidelijke zwaarddragers, zoals de groene zwaarddrager (Xiphophorus hellerii) en de kommazwaarddrager (Xiphophorus signum) zwemmen tijdens de balts voor- en achteruit voor het vrouwtje langs. Bij deze soorten speelt de lengte van het zwaard een rol bij de keuze van het vrouwtje en door deze balts wordt dit aspect beter zichtbaar. Als andere reden voor deze balts wordt ook wel genoemd dat de vrouwtjes dan minder mogelijkheden tot wegzwemmen hebben.


Volwassen man Rio Axtla.
Voor de vrouwtjes van de Cortezzwaarddrager is symmetrie bij de mannetjes een teken dat ze gezond zijn. Ook lichaamsgrootte, de hoeveelheid dwarsbanden en de kleurintensiteit daarvan zijn voor de vrouwtjes een indicatie voor de gezondheid van de mannetjes. Aangezien bij hybriden de tekening vaak asymmetrisch is, zou symmetrie ook een belangrijk aspect kunnen zijn om mannetjes van de eigen soort te herkennen.
Dat weten we dan ook maar weer. De vrouwtjes zijn dus in ieder geval in staat om verschil te maken tussen asymmetrische en symmetrische mannetjes en kunnen dit snel vaststellen. En dat is toch wel slim voor zo’n klein visje.

Foto`s Leo van der Meer.
Tekst Kees de Jong.
Literartuur:M.R. Morris & K. Casey (1998) Female swordtail fish prefer symmetrical sexual signal. Anim. Behav. (55): 33-39

vrijdag, augustus 31, 2007

Japanse Bleu Wildtype guppy.

Japanese Blue Wildtype guppy.



Dit is een visje dat je nooit meer vergeet als je het eens gezien hebt, het maakt indruk! De mannetjes vallen enorm op door hun neonblauwe achterlijf, dat bij de juiste lichtval wel licht lijkt te geven. Bovendien hebben alle mannetjes een diepzwarte ronde vlek halverwege hun lijf. De vorm en kleurstelling van de staartjes kan verschillen. De staartvin is bescheiden qua formaat, zoals je die bij een wilde gup zou verwachten. Ze hebben vaak zwaardjes aan hun staartvin vergelijkbaar met de zwaardjes van Endler's guppen. Deze kunnen boven- of onderaan de staartvin zitten. Dubbelzwaard komt ook voor. De zwaardjes zijn blauw, geel of rood van kleur omzoomd door een zwart randje. Op de staartvin zijn vaak één of meer zwarte vlekjes te zien op een lichtblauwe ondergrond. De rugvin is kleurloos met soms wat zwart. De borst is gelig of groenig van kleur. Bij sommige visjes loopt er een contrasterende rode streep over de borst. De mannen worden gemiddeld twee centimeter groot.

Het mannetje van de Japanse Bleu Wildtype.
Japanese Blue Wildtype vrouwtjes vallen lang niet zo op als de mannetjes. Ze zijn zilvergrijs van kleur met doorzichtige vinnen. Ze zijn al vruchtbaar als ze een centimeter of twee zijn, maar ze groeien geleidelijk door tot wel vijf centimeter. Als ze die lengte bereikt hebben kunnen ze elke maaand wel tot 25 jongen werpen.Deze guppystam wordt ook wel Venezuela Blue genoemd en niet zonder rede. Deze lijn is ontstaan uit inkruisingen van Japan Blue sierguppen in een stam wilde guppy's uit Venezuela. De helder blauw gekleurde achterlijven van de mannetjes komen van Japan Blue sierguppen. Het wilde uiterlijk komt van de Venezuela-guppen. De Japanese Blue Wildtype is dus geen wilde gup, maar een wildtype gup.
Al met al is het een sterke stam met een goede natuurlijke weerstand. Ze planten zich bovendien gemakkelijk voort. Hierdoor zijn deze visjes geschikt voor elke aquariumliefhebber, van de beginner die iets anders wil dan de standaard guppy's uit de dierenwinkel, tot de gevorderdere aquariaan die gericht wil kweken.


Geschreven door Lidewij.
Foto`s Leo van Der Meer.

Wil je in het bezit komen van deze guppy's of wil je meer weten? Kijk eens naar mijn advertenties. Ik ben moderator op het forum van http://www.punkyfish.nl/ (het gezelligste aquariumforum) en lid van http://www.endlers-r-us.nl/. Mijn profielnaam is op beide sites Liedje

maandag, augustus 13, 2007

Kleur maakt kwetsbaar.

Kleur maakt kwetsbaar.

Een populatie uit Haiti.
De kleur van mannetjesguppen is een indicatie voor hun gezondheid en vrouwtjes prefereren dan ook felgekleurde mannetjes boven minder gekleurde. Nu trekken deze kleuren niet alleen de aandacht van vrouwtjes, voor predatoren vallen ze ook veel meer op en ze zullen dan ook eerder worden opgegeten. Godin & McDonough (2003) geven voor deze constatering een aantal bewijzen:
In populaties guppen in Trinidad die veel door predatoren worden bedreigd, hebben de mannetjes minder felle kleuren dan bij populaties waar dit niet het geval is.
Een populatie uit Trinidad.
Het introduceren van predatoren in een natuurlijke populatie had tot gevolg dat binnen enkele generaties de hoeveelheid en grootte van de kleurpatronen bij guppen afnam.
Het omgekeerde is ook het geval. Guppen die uit een gebied komen waar ze intensief door predatoren worden bejaagd en in een gebied met minder predatoren terecht komen, zijn in enkele generaties fraaier gekleurd.
Onder gekleurde mannetjes is de sterfte hoger dan onder de minder intensief gekleurde vrouwtjes en jongen met een vergelijkbare grootte.


Een populatie uit Tobago.
Om aan te tonen dat fel gekleurde mannetjes een grotere kans maken om door een predator te worden opgegeten, gebruikten Godin & McDonough de blauwe acara cichlide (Aequidens pulcher). Deze vis is net als de snoekcichlide Crnenicichla alta, een natuurlijke vijand van de guppen in Trinidad, In een aantal experimenten, die in verschillende aquaria werden uitgevoerd, gingen de auteurs de voorkeur voor felgekleurde mannetjes van deze predator na.

Een populatie uit Suriname.
De conclusie is dat de favoriete prooi van de blauwe acara fel gekleurde volwassen guppenmannen zijn. Hoewel deze mannetjes dankzij de voorkeur van de vrouwtjes, een grotere kans hebben om zich voort te planten, lopen ze hierdoor ook grotere risico’s om als prooi te dienen.

Een populatie uit Jamaica.
Waarom de voorkeur voor gekleurde mannetjes is ontwikkeld, is niet eenvoudig vast te stellen. Mogelijk heeft deze voorkeur zich in het verleden bij de predatoren ontwikkelt in relatie met de voorkeur van de guppenvrouwtjes of was het een voorkeur die in combinatie met een ander aspect is ontstaan of bevatten gekleurde mannetjes meer voedingsstoffen in de vorm van kleurstoffen.

Een stam uit Brazilie
Hoewel felle kleuren door de vrouwtjes als een indicatie van de gezondheid van hun mogelijke partner worden gezien, maken ze de mannetjes wel kwetsbaarder. Als compensatie hiervoor blijken feller gekleurde mannetjes wel alerter te reageren op mogelijk gevaar en dit gedrag zou tezamen met de voorkeur van de vrouwtjes er toe kunnen leiden dat de onderlinge verschillen in kleuren bij de mannetjes in de natuurlijke populaties blijven bestaan.

Een stam uit venezuala maar toch geen endler.
Het Cumanna guppy (zwarte Endler.)
Tekst Kees de Jong.
Foto`s Leo van der Meer.

Het beruchte Japan Bleu guppy van Lidewij.


Literatuur:J.-G. J. Godin & H.E. McDonough 2003. Predator preference for brightly colored males in the guppy: a viability cost for a sexually selected trait. Behavioral Ecology Vol. 14 No. 2: 194-200