dinsdag, oktober 14, 2008

Enige gedachten bij het voeren van levendbarende tandkarpers.

Enige gedachten bij het voeren van levendbarenden.


Foto boven :koppel Light Bleu Top Sword Endler.


Dat het mogelijk is om vissen tegenwoordig gevarieerd te voeren, is bij de meeste aquarianen wel bekend.
Het meeste voer is tegenwoordig eenvoudig te krijgen en het zelf vangen of kweken van voer is niet meer noodzakelijk. Er is volop variatie in droogvoer te koop en dit kan worden aangevuld met een grote diversiteit in diepvriesvoer. Dit is voor de meeste soorten meer dan voldoende. Op enkele voedselspecialisten, zoals het levendbarende snoekje (Belonesox belizanus) na, is mijn ervaring dat diepvriesvoer door alle soorten wordt gegeten.

Foto boven: Phallichthys tico.

Jarenlang heb ik mijn vissen altijd uitermate gevarieerd gevoerd met grote hoeveelheden hoogwaardig voedsel. Dit staat echter in schril contrast met de situatie in de natuur.

Een blik in een willekeurig watertje in het land van herkomst van de door ons in het aquarium gehouden vissen maakt duidelijk dat daar niet veel voer beschikbaar is. De vissen zijn in de natuur dan ook het grootste deel van hun tijd kwijt met het vinden van voedsel. Vooral de omnivore soorten, bijvoorbeeld zwaarddragers, molly’s en Ameca splendens, zijn de hele dag bezig met het afgrazen van stenen om voldoende binnen te krijgen. Hun relatief lange darmen zorgen er voor dat ze veel voedingsstoffen uit het beschikbare aanbod kunnen halen. Deze situatie is niet te vergelijken met de situatie in het aquarium. Hier wordt af en toe voer met een hoge voedingswaarde gegeven en daardoor heeft de vis in enkele minuten genoeg voedingsstoffen binnen.
De soorten die gespecialiseerd zijn in dierlijk voedsel hebben in de natuur ook meer tijd nodig om voldoende voedsel te krijgen. In het aquarium krijgen ze tijdens het voeren in een korte tijd veel meer voedingsstoffen binnen dan in de natuur.
Ook wordt de hoeveelheid voer in de natuur nog bepaald door de seizoenen. Het aanbod insecten en hun larven, maar ook kleine jonge visjes, is sterk seizoensgebonden. Onderzoek naar de darminhoud bij carnivore Goodeïden, met een kort darmstelsel, toonde aan dat deze vissen zich afhankelijk van het aanbod ook lange tijd met plantaardige kost tevreden stellen.
Ook de samenstelling van het voer in het aquarium en in de natuur is logischerwijs verschillend. Het door ons aangeboden voer komt in dezelfde samenstelling in de natuur niet voor.

Foto boven: Man Ataeniobius toweri.

Samenvattend is het zo dat er duidelijke verschillen zijn tussen het voedsel en de tijd die nodig is voldoende binnen te krijgen in de natuur en het aquarium.

Het verschil tussen de voedingswijze in de natuur en het aquarium heeft gevolgen voor de vissen. In de eerste plaats zijn de vissen in de natuur veel meer tijd kwijt met het vinden van voldoende voedsel. Onderzoek van Kelly et al (2006) naar Ameca splendens toont aan dat in de natuur 70% van de tijd wordt besteed aan het vinden van voedsel en in het aquarium slechts 7%. Dit heeft invloed op het gedrag. Aquariumstammen van deze soort blijken agressiever dan de natuurlijke populaties.
Aquariumvissen zullen een voorkeur hebben voor hoogwaardig voedsel indien dit wordt aangeboden. Dit is voor hen de meest efficiënte manier om voedsel binnen te krijgen. Op de lange duur kan dit gevolgen hebben voor de soort in het aquarium. Mogelijk verdraagt de soort dit hoogwaardige voedsel niet op de lange termijn en is zij mogelijk niet in staat om zich over meerdere generaties in het aquarium te handhaven.
Het continue aanwezig zijn van hoogwaardig voedsel in het aquarium kan er ook toe leiden dat de voortplantingsperiode wordt verlengd. Indien er in de natuur onvoldoende voedsel is, wat vaak in combinatie met een lagere temperatuur voorkomt, zal de soort zich niet voortplanten. Door het ontbreken van deze rusperiode in de voortplanting komen de vissen minder tot rust en dit verkort hun levensduur.

Foto boven:een wildvang guppy uit Cayan.

Toen ik enkele weken geleden bij Latsy Nyari was, vertelde hij dat het extra voeren met allerlei vormen van hoogwaardig diepvriesvoer volgens hem helemaal niet nodig is. Af en toe wat extra’s is meer dan genoeg. Zijn ervaring is dat de basis prima uit vlokkenvoer kan bestaan.

Foto boven:Man Light Bleu Top Sword Endler.

De laatste tijd probeer ik rekening te houden met bovenstaande punten bij het voeren van mijn volwassen vissen. Sommige soorten krijgen een langere periode minder hoogwaardig voer, zoals vlokken op plantaardige basis. Alleen soorten die ook na enkele dagen geen vlokkenvoer eten krijgen diepvries of levend voer. Dit voer ik dan wel minder. Iedere dag meerdere keren voeren lukt mij niet. Twee keer per dag is voor mij het maximaal haalbare. Ik probeer me wel aan te leren om het voer dan op verschillende plekken in het aquarium te strooien. Dan moeten de vissen er nog wel een eindje voor zwemmen. Gezien de lengte van een aquarium is dit mogelijk niet van invloed, maar het is in ieder geval beter dan altijd maar op dezelfde plek voeren.

Door bovenstaande wordt het voeren van levende watervlooien ook interessanter. Ik was hier de laatste jaren niet zo actief mee, omdat deze nauwelijks voedingswaarde bevatten. Dit hoeft dus eigenlijk niet zo’n probleem te zijn. De levende watervlooien zorgen er in ieder geval voor dat de vissen iets voor hun kostje moeten doen.

Foto boven: Wildvang guppy uit Cayan.

Voor jonge vissen hanteer ik een andere aanpak. Deze krijgen bij mij de eerste maanden hoogwaardig voer zoals Artemianaupliën. Om goed te kunnen groeien is dit noodzakelijk. Verder is de relatieve darmlengte bij jonge vissen kleiner, waardoor ze minder voedingsstoffen uit laagwaardig voedsel kunnen halen.

Foto boven: twee vrouwtjes Phallichthys tico.

Of bovenstaande op de lange termijn tot gezondere vissen in mijn aquarium weet ik nog niet. Dit laat zich moeilijk beoordelen. Ik ga het in ieder geval voorlopig eens vol houden en kijken wat de resultaten zijn.
Mochten andere leden andere ervaringen of beelden hebben, dan lees ik dit graag in een volgend nummer van Poecilia Nieuws.


Foto boven: Man Ataeniobius toweri.
Literatuur:
J.L. Kelley, A.E. Magurran & C. Macías García 2006. Captive breeding promotes aggression in an endangered Mexican fish.Biological Conservation (133):169-177
Tekst: Kees de Jong.
Foto`s: Leo van der Meer.
De vissen zijn beschikbaar gesteld, door verschillende leden van Poecilia Nederland te weten:
Ataeniobius toweri Jan Klungers.(site`Vissen van de onderste plank
Over het houden en kweken van subtropische vissen)
Light Bleu Top Sword Endler (August van Rijn).
Wildvang guppy uit Cayan Johan Ezeman.

zondag, oktober 05, 2008

Jenysia onca Lucinda,Reis&Quevedo 2002.

Jenynsia onca Lucinda, Reis & Quevedo, 2002.



Synoniemen:
Geen.

Nederlands naam:
niet aanwezig.


Verspreidingsgebied:
De soort komt voor in het Río Ibicuí stroomgebied in Brazilië en het Río Negro stroomgebied in Uruguay.


Kenmerken:
Opvallend zijn de zwarte langwerpige tekening op het lichaam. Aan dit kenmerk dankt de soort zijn naam. Deze is afgeleid van het Portugese “onça”, een locale naam voor de jaguar. Het lichaam is langgerekt en de ogen zijn relatief groot. De buikzijde is lichter van kleur en kan een oranjegele glans hebben. Lucinda et al (2002) geven voor de vrouwtjes een maximale lengte van 4 cm en geven aan dat de mannetjes een cm kleiner blijven. Uit ervaring blijkt de soort echter groter te worden. De vrouwtjes kunnen wel 7 cm worden. De mannetjes blijven beduidend kleiner. Het uiterlijk van de mannetjes en vrouwtjes is identiek. Zwangere vrouwtjes zijn iets plomper van bouw. Mannetjes onderscheiden zich van de vrouwtjes door hun tot geslachtsorgaan gegroeide aarsvin (gonopodium). Ondanks de eenvoudige tekening is Jenynsia onca een aantrekkelijke soort.

Verzorging en kweek:
Er zijn nog niet veel ervaringen met het houden en verzorgen van deze soort omdat ze nog niet zo lang in de hobby wordt gehouden. In 2006 kreeg ik van G. Rickling uit Duitsland een aantal vissen van deze soort en onze ervaringen vormen de basis voor dit artikel. De soort kan in grote lijnen als een goodeïde worden verzorgd. De temperatuur moet niet het hele jaar constant worden gehouden. Een koelere periode van rond de 16ºC lijkt aan te raden. Tijdens de warmere periode kan de temperatuur stijgen tot 23ºC. Een hogere temperatuur is niet goed voor deze vissen. Regelmatig een groot deel van het water verversen is noodzakelijk. Al het aangeboden voer wordt gegeten, bij een hogere temperatuur zijn deze vissen stevige eters.

De kweek is niet zo eenvoudig. Af en toe worden er enkele jongen geboren die bij de geboorte 2 cm groot zijn. Het is mij gelukt om de jongen tijdig uit het aquarium met de grote vissen te halen om ze de eerste maanden apart op te kweken. Daarna kunnen ze weer bij hun grotere soortgenoten worden gezet. Mogelijk blijven er meer jongen over als de vrouwtjes apart worden gezet. Het maximale aantal dat ik nu uit de planten kon halen bedroeg 4. Het is lastig te beoordelen of de vrouwtjes bijna gaan werpen, ze worden tijdens de drachtigheidsperiode nauwelijks dikker. Ook worden heel zelden jongen geboren. Mogelijk gaat de voortplanting net als bij Jenynsia multidentata (Mai et al, 2007). Uit onderzoek naar een populatie uit de Patos lagune in Brazilië, blijken de grote vrouwtjes in de periode van september tot mei tweemaal jongen te werpen. De vrouwtjes die tijdens de eerste worp worden geboren planten zich binnen deze periode ook nog voort. Het gemiddelde aantal jongen per worp bedraagt bij die soort 30. Zoals te verwachten krijgen grotere vrouwtjes meer jongen dan kleinere. Zoveel jongen ben ik bij J. onca nog niet tegengekomen. Mai et al geven ook aan dat in de natuur bij J. multilineata meer vrouwtjes dan mannetjes voorkomen. Een verklaring hiervoor hebben ze niet.Het in standhouden van J. onca blijkt in het aquarium tot nu toe niet erg eenvoudig. Naast het feit dat er weinig jongen worden geboren, lijken de vissen ook niet erg oud te worden. Af en toe krijgen exemplaren een soort zweren en kwijnen dan weg. Hopelijk lukt het in de toekomst wel om deze soort flink te vermeerderen. Het is een aantrekkelijk vis die een groter publiek verdient.

Tekst Kees de Jong.
Foto`s Leo van der Meer

dinsdag, september 23, 2008

Phallichthys tico Bussing,1963.

Phallichthys tico Bussing, 1963


Foto boven 3 vrouwen en 1 man.


Synoniemen:
Geen

Nederlands naam:
Niet aanwezig

Beschrijving:
W.A. Bussing (1963) : A new Poeciliid fish, Phallichthys tico, from Costa Rica. Contrib. Sci. Natur. Hist. Mus. Los Angeles County (77): 1-13



Foto boven: verspreidings kaart.
Verspreiding:
In zijn oorspronkelijk beschrijving noemt Bussing (1963) twee locaties in Costa Rica, die op 110 km afstand liggen: De Río Puerto Viejo en een moerasgebied in de buurt van de Río San Juan. Beide rivieren monden uit in de Río San Juan en stromen naar de Caribische kust. Villa (1982) geeft aan dat hij van Bussing heeft gehoord dat de soort mogelijk ook in Nicaragua voorkomt. Bewijzen heeft hij hiervoor niet. Door de grote afstand tussen de twee locaties is de kans groot dat er nog andere locaties zijn waar de soort voorkomt. De meeste exemplaren die in de hobby worden gehouden, zijn afkomstig uit de buurt van het Arenal meer en gelijknamige vulkaan (Río Puerto Viejo stroomgebied). Hier kan men de soort vinden in kleine toelopen richting het meer. De visjes houden zich hier in stilstaand water op. In de hoger gelegen riviertjes richting Arenal konden Eduard Meinema en ik in 1992 de soort niet vinden. Waarschijnlijk is de stroming daar te sterk. Het schijnt dat P. tico niet meer op alle bekende locaties wordt aangetroffen. Op sommige worden nog slechts enkele dieren gevonden, terwijl het visje her en der niet meer wordt gevangen. Het is op dit moment dan ook niet helemaal helder wat het exacte verspreidingsgebied is.





Foto boven: 2 mannen en 1 vrouw.

Uiterlijk:
Qua kleuren en tekening is deze kleinste soort uit het genus Phallichthys net zo onopvallend als het bekendere Lustige Weeuwtje (Phallichthys amates). Het lichaam is bruin van kleur en de vinnen zijn bij en juiste lichtinval lichtblauw gekleurd. In de rugvin bevinden zich twee zwarte banden, één aan de basis en de andere aan de bovenkant. Af en toe zijn er enkele vage donkere dwarsbanden op het lichaam te zien. De vrouwtjes hebben een kleine drachtigheidsvlek, maar verder zijn beide geslachten hetzelfde van kleur en tekening. De mannetjes hebben een relatief lang gonopodium, dat bijna tot aan de staartvin reikt.
De lichaamsvorm is duidelijk slanker dan die van de andere vertegenwoordigers uit het genus Phallichthys.





Foto boven :1 koppel.

Grootte:
Mannetjes tot 2,5 en vrouwtjes tot 3,5 cm.





Foto boven: 2 vrouwen P.tico.

Verzorging en kweek:
Dit kleine in groepen van 20 tot 30 dieren levende visje is afkomstig uit bijna stilstaand water waar het in de buurt van en tussen planten leeft. Het is in de natuur erg schuw en vlucht bij enig onraad meteen tussen de planten. Ook in het aquarium is dit schuwe en teruggetrokken gedrag aanwezig. Het liefst zwemmen de visjes in een groepje tussen de planten. Na enige tijd gaan ze zich meer op hun gemak voelen en zullen ook beter zichtbaar worden. Paarsgewijs gehouden blijft P. tico schuw, pas in een groepje wordt hun gedrag zichtbaar. De mannetjes van deze soort hebben geen uitgebreide balts. Ze proberen de vrouwtjes te benaderen, draaien hun lange gonopodium naar voren en proberen het vrouwtje te bevruchten. Een aanpak zoals die bij de praktisch alle tussen de planten voorkomende levendbarende tandkarpers kan worden gezien.
De kweek geeft, mits de visjes in een groepje worden gehouden en er voldoende planten aanwezig zijn, meestal geen problemen. Na enige tijd zullen er tussen de planten jongen zwemmen die door de grotere vissen niet als voedsel worden gezien. Het is mij niet helemaal duidelijk hoeveel jongen er worden geboren. Meestal zijn er slechts enkele zichtbaar. Het lijkt er op dat de worpen of klein zijn of dat de jongen met tussenpozen worden geboren.
Gezien het geringe formaat van de netgeboren jongen, dient er voldoende klein voer aanwezig te zijn. Ook de volwassen vissen hebben een klein bekje en hier de grootte van het voer op worden aangepast. In de natuur heeft P. tico volgens Bussing (1963) in een duidelijk voorkeur voor plantaardig voedsel, maar ook ander fijn voer wordt in het aquarium goed gegeten.
De temperatuur ligt in het natuurlijke levensgebeid tussen de 24 en 30°C. Een minimum temperatuur van 22°C is echter voldoende.
Gezien het geringe formaat is het lastig om andere visjes met deze soort samen te houden. Het zullen in ieder geval soorten moeten zijn die geen bedreiging vormen.





Foto boven: een stel P.tico.

Opmerkingen:
Ongeveer 10 jaar geleden werd dit visje door een redelijk aantal mensen gehouden en gekweekt. Mogelijk dat de eenvoudige tekening van de soort er toe heeft geleid dat het visje geruime tijd niet meer aanwezig was. Niemand leek meer P. tico te bezitten. Gelukkig lukte het Dave McAllister om enkele jaren geleden de soort in de buurt van het Arenal meer in Costa Rica te vangen en mee naar Europa te nemen. Van hem kreeg ik in 2003 een aantal visjes die hopelijk een goede basis vormen voor verdere verspreiding onder geïnteresseerde liefhebbers.

Literatuur:
W.A. Bussing (1979) : A new fish of the genus Phallichthys (Family Poeciliidae) from Costa Rica. Contrib. Sci. Natur. Hist. Mus. Los Angeles County (301): 1-8
G. Daul (1979) : Het geslacht Phallichthys, leuke maar weinig bekende levendbarenden. TI'H (19): 9-10
D. Fromm (1977) : Expedition nach Costa Rica. DATZ (6): 227-230
K. de Jong & E. Meinema (1994) : De levendbarende tandkarpers van Costa Rica 1. Het Aquarium (3): 78-82
D. Lambert: Phallichthys tico Bussing, 1963. Viviparous (33)
D. Lambert (1996) : The merry widow and kin. Tropical Fish Hobbyist (June): 90-94
J.K. Langhammer (1985) : The widow livebearers - genus Phallichthys. Livebearers (79): 7-8
P. Loiselle (1994) : Two new livebearers from Costa Rica. Livebearers (138): 4-8
M.K. Meyer (1983) : Die Gattung Phallichthys. Aquarien Terrarien (1): 23-25
C. van de Sande (1992) : Phallichthys tico (Bussing, 1963). Picasso onder water
W. Schreck (1994) : Phallichthys tico Bussing, 1963. DGLZ-Rundschau (2): 40-41
T. Schulz (1990) : Phallichthys, Neoheterandria oder Xenophallus?. DATZ (3): 142-143
J. Villa (1982) : Peces Nicaragüenses de Agua Dulce. Serie Geografia y Naturaleza (3): 125-136






Foto boven 1 man P.tico.



Vissen zijn beschikbaar gesteld door August van Rijn.(lid Poecilia Nederland).



Tekst: Kees de Jong.
Foto`s :Leo van der Meer.

woensdag, september 17, 2008

Xiphophorus nezaqualcoyotl

Uit de oude doos, een van mijn eerste teksten en mijn aller eerste gelukte foto.
Daarna is er erg veel veranderd wat fotograferen en tekst betreft.

Xiphophorus Nezaqualcoyotl



Foto boven een van mijn eerste gelukte foto`s.

H et was enkele jaren geleden dat ik van iemand in de vereniging Xiphophorus
nezaqualcoyotl kreeg, ik viel meteen op deze soort.
Ik denk dat zijn moeilijke achternaam mij aansprak.
Ik noem ze zelf altijd Xiphophorus nezi vind ik makkelijker want ik struikel
steeds over zijn achternaam.
In het begin had ik 2 vrouwen en 1 man en voerde ik ze steeds 2 keer per
dag.
Ik geef ze altijd levend- of diepvriesvoer en verschillende soorten droogvoer.
Om één of andere reden was het moeilijk om hier jongen van te kweken.
Ik dacht misschien ligt het aan de temperatuur of aan het voer.
Enkele jongen werden geboren en die groeiden erg langzaam of zeg maar
heel erg langzaam. Dit is gebruikelijk bij Xiphophorus is mij verteld.
Ik deed steeds mijn best maar het wilde niet vlotten zoals ik het wilde.
Toch viel mij wel op dat ze erg sterk waren.
Het werd zomer 2003, u
moet weten dat ik boven
in een flat woon waar het
erg warm kan worden.
Een vriend van mij heeft
een boerderijtje en heeft
erg veel land om zijn huis.
Hij zei tegen mij waarom
zet je niet bakken buiten
neer dan hebben ze het in
ieder geval minder warm.
Bij ons heb je een grote
bouwmarkt hier kochten wij 6 zwarte bakken en dit leek ons wel perfect
om een buitenvijvertje te maken. Wij zetten ze bij zijn huis neer en maakten
er een bekisting omheen, echt een plaatje.
Water erin drijfplantjes erin en een net erover heen tegen het eruit springen
van de vissen. We lieten het water één week rusten en verhoogde het
KH iets zodat het water wat harder werd. Toen gingen de vissen er in en
nu was het afwachten of ze bleven leven, dit was best spannend. Muggen
waren er in overvloed dus we hoefden niet veel bij te voeren zeg maar
twee keer in de week iets droogvoer.
Het lukte, ze bleven leven en geloof mij of niet 4 weken later zwommen er




Dus het vrouwtje had eindelijk op een normale manier geworpen. Ik was
een beetje nieuwsgierig en ging kijken hoe het met de oudere dieren ging.
Ik haalde er enkele uit om te bekijken, die waren echt schitterend van
kleur en ze waren ook erg sterk. Normaal als je ze uit je aquarium haalt
spartelen ze altijd iets maar dit leken wel karpers zo sterk dat ze waren.
Dus ik wist meteen al dat ze er in ieder geval beter van werden. Het werd
later in het jaar zeg eind september nu werd het snel kouder ‘s-avonds. Ik
moest ze dus binnenhalen. Er waren nog niet erg veel jongen over maar de
mannen en vrouwen waren heel mooi en sterk geworden.
Ik haalde de Xiphophorussen binnen en zette ze in een aquarium 60 bij 40
bij 30. Hier deed ik heel veel groen bij zodat de jongen goed konden
vluchten. Er wordt over dit soort verteld dat ze geen jongen eten maar daar
ben ik niet zeker van. Nu gingen de vrouwtjes jongen werpen of het de
normaalste zaak van de wereld was. Wat ik in dat jaar geleerd had was dat
de vissen sterker en mooier werden en meer jongen gingen werpen.
Dus het jaar erop ging ik het weer proberen, en nu deed ik in de ene bak
volwassen dieren en in de andere jonge dieren. De procedure ging weer
hetzelfde, enkele jongen werden geboren bij de ouders. Wat mij bij de jongen
opviel was dat ze groter uit groeiden dan binnen in mijn aquarium.
Ik hield namelijk wat jongen binnen want je weet maar nooit. Aan zulke
soorten is bijna nooit of moeilijk aan te komen. De buitentemperatuur
werd eigenlijk nooit veel hoger dan 20 graden `s-nachts een graad of wat
kouder.
De Ph was 7 de Kh kreeg ik op 8. Het voordeel is natuurlijk wel dat je altijd
levend voedsel in je bakken krijgt. Het grote voordeel is natuurlijk ook
geweest dat ze onder de bomen staan dus best wel koel.
Ik liet ze dit jaar wat langer buiten door omstandigheden en haalde ze in
oktober binnen. Het water was afgekoeld naar 12 graden en ik was erg
bang dat ze het niet zouden redden. Maar wat bleek, het waren er meer dan
het jaar ervoor. De jonge dieren die ik eind mei in de andere bak deed waren
erg mooi en flink groot geworden.
Ook deze vissen deed ik weer binnen in mijn aquarium en de oudere dieren
gingen meteen over tot werpen. Ik heb er inmiddels genoeg en heb er
al vele in de vereniging en vriendenkring weggegeven.
Kortom de Xiphophorus nezahuacoyotl is echt een vis voor zomers buiten
en in de winter binnen. Je krijgt hier meer jongen van en ze worden sterker
en groter dan binnen.
Hopelijk heb ik u genoeg geïnformeerd zodat u misschien ook uw vissen
eens naar buiten doet en op die manier durft te kweken.

Geschreven door Leo van der Meer.

zondag, augustus 10, 2008

Alfaro cultratus

Alfaro cultratus (Regan,1908).



Synoniem:
Petalosoma cultratum Regan, 1908.
Petalurichthys cultratus Regan, 1912
Alfaro acutiventralis Meek, 1912
Petalosma amazonum Regan, 1911
Petalurichthys amazonum Regan,1912
Alfaro amazonum Regan,1913


Eerste beschrijving:
Regan, C.T. (1908): A collection of fresch water fishes made
by MR. C.F. Underwood in Coista Rica. Ann. Mag. Nat. Hist.,
ser. 8, vol. 2, pp. 455-464.


Naamgeving:
Het Genus Alfaro heeft het visje te danken aan Dr. Anastasio Alfaro van het nationaal Museum in Costa Rica. cultratus betekent in het Latijns mensvormige dit wijst naar de vorm van het visje dat wat weg heeft van een lemet van een mes.
Andere soorten in dit Genus.Het Genus Alfaro bestaat slechts uit twee soorten te weten:

Foto boven: is Alfaro cultratus (Regan,1908).


Foto boven: is Alfaro huberi (Fowler,1923).


Verspreiding:
Rio Iroquois, COSTA Rica.

Grootte van de vis:
Het mannetje wordt ongeveer 6 cm groot, het vrouwtje wordt enkele cm groter.

Uiterlijk.
Onder de groep levendbarende vissen is Alfaro cultratusi een bijzonder visje, dit komt door het uiterlijk dat echt anders is dan een gemiddelde tandkarper..De vorm van het lichaam van het mannelijke visje en ook een beetje van het vrouwtje lijkt een beetje op het lemmet van een mes.Verder is de mond naar boven gericht waardoor ze het voedsel gemakkelijk van het wateroppervlak kunnen pakken. (net als bij het genus Priapella).Bij voldoende licht is het mannetje wat groenachtig blauw van lichaamskleur, echter het vrouwtje is veel witter van kleur. Foto`s van dit visje maken is niet eenvoudig doordat het visje vaak wat wittig op een foto over komt maar bij een juiste instelling vooral het mannetje erg mooi van kleur. Verder hebben ze als karakter eigenschap dat ze erg snel kunnen zwemmen en dit maakt het erg moeilijk.


Verzorging:
Dit genus is nogal schuw van karakter en is zeer snel, als ze niet genoeg beschutting om zich heen hebben, hierdoor kruipen ze vaak weg in de beplanting. In het aquarium bij mij komen ze toch vaak naar voren, dit na enkele dagen in het aquarium al aanwezig te zijn, maar vaak zwemmen ze net onder een bosje waterpest, zodat mocht het te spannend voor ze worden, ze meteen weg kunnen duiken in de beplanting. Het afdekken van het aquarium is zeker aan te bevelen, dit vooral doordat het visje een nare gewoonte heeft om uit het aquarium te springen, het gemakkelijkste om dit euvel tegen te gaan is om het aquarium goed af te dichten door middel van een kap of een plaat glas. Alfaro cultratusi vind het erg prettig om veel planten om zich heen te hebben staan, een aquarium vanaf 100 cm is al geschikt voor dit visje, dat erg veel zwemt, wel houden ze van een kleine stroming waar ze tegen aan kunnen zwemmen, verder is het van levensbelang om net als bij de meeste levendbarende vissen het water minimaal 1 keer per week voor 1/3 te verversen. De temperatuur om deze vissen voor langere tijd te behouden ligt boven de 28 graden Celsius met een pH van 8 en een dH van 5.

Voeding:
Wat het voedsel betreft is Alfaro cultratus niet echt een moeilijke vis, ze lusten werkelijk alles wat ze voor geschoteld krijgen, wel is het aan te bevelen om veel levend of diepvries voedsel te gebruiken. Enkele voorbeelden wat ze erg graag eten zijn witte, zwarte en rode muggen larven, Artemia, cyclops, watervlooien, levende vliegen zonder vleugels deze worden vaak verkocht aan reptielen houders, maar ook gewoon droogvoer lusten ze erg graag. Tegenwoordig is er erg veel vervangend voedsel op de markt aanwezig, zoals vervanger van Artemia in droge vorm is erg aan te bevelen voor vele soorten levendbarende, kijk gerust eens op de site`van Vivani Fishfood., via het internet te vinden, wat deze mensen aanbieden is gewoon erg goed en zekervoor een ieder betaalbaar. Jonge Alfaro`s lusten alles wat hun ouders ook lusten, maar uiteraard niet te groot, verder zijn ze gemakkelijk op te kweken met Artemia nauplien en de hele kleintjes met tropisch infuus (pantoffeldiertjes).

Kweek:
Wat het doorkweken betreft is Alfaro cultratus absoluut niet de gemakkelijkste onder de levendbarende tandkarpers, dit komt vooral doordat het vrouwtje in gevangenschap niet zo gemakkelijk tot paren over te halen is. Ook het paarritueel is best bijzonder te noemen, nadat het mannetje enige keren voor het vrouwtje is gaan zwemmen en enige keren zijn twee zijkanten heeft laten zien aan het vrouwtje, gaat het mannetje van de linker naar de rechter kant van het vrouwtje voordat ze uiteindelijk over gaan tot een paring, hiervoor heeft het echtpaartje wel enige zwemruimte nodig. Als het vrouwtje eenmaal bevrucht is, worden er na ongeveer 35 dagen een 25 tal jongen geboren die meteen weg moeten zwemmen voor het vrouwtje dat haar kroost als een lekkere snack ziet. De jongen zijn net ietsjes groter dan de Poecilia reticulata jongen, als men de jongen meerdere keren per dag voert zullen ze erg snel groeien. Na ongeveer 4 a 5 maanden zijn ze uit gegroeid tot geslachtsrijpe vissen, echter duurt het nog enkele tijd voordat ze tot hun maximale grootte uitgegroeid zijn. Enige tips die ik via Google gevonden heb over deze vissen, zijn om het vrouwtje enkele dagen voordat de jongen geboren worden apart in een klein aquarium te plaatsen met erg veel waterplanten hierin aanwezig, ook door middel van een scheiding s wandje in het aquarium aan te brengen waar wel de jongen van links naar rechts kunnen zwemmen maar niet de ouders, hierdoor kan men een nestje redden .Het is verstandig om de jongen meerdere keren per dag te voeren, zodat ze snel en gezond tot hun totale grote kunnen uitgroeien, het is aan te raden om het water meerdere keren per week voor 1/3 te verschonen, hierdoor verkomt men verzuring van het gemorste voedsel en ook voorkomt men eventuele ziektes.

Geschreven door Leo van der Meer.
Foto`s Leo van der Meer.

zondag, augustus 03, 2008

Op zoek naar zwaarddragers Mexico 2002 deel 2.

Op zoek naar zwaarddragers Mexico 2002


Foto boven X.cortezi.
Deel 2 na al eerder stukken gepubliceerd te hebben ga ik weer verder.Door dat het een dagboek systeem is, is het voor mij helaas niet mogelijk om het voor u op een andere wijze te publiceren .Om het geheel van voor af aan te lezen kijk naar eerdere maanden!!!!


Foto boven X.multilineatus 2 verschillende type mannen.

9. Puente Rascon.
Dit punt is de brug in de richting van Rascon. Het is een snelstromende rivier
met troebel water. Het water staat hoog. Vooral dankzij het enthousiasme
van LUDO vangen we hier enkele halfwas exemplaren van de Montezuma
zwaarddragers tussen de begroeiing die we besluiten mee te nemen.
Aangetroffen soorten:
• X. montezumae
• Astyanax
• Cichliden
• Poecilia mexicana
X. montezumae wordt door ons tussen de planten gevangen. Alleen halfwas dieren.

Foto boven paartje X.montazumae.
21º57’57.3” N
99º14’43,8” W
Hoogte 358 meter.
Bij aankomst in het hotel besluit ik naar bed te gaan. Mijn fysieke staat laat
sterk te wensen over. Mijn reisgenoten brengen me nog enkele toastjes en
wat water. Hopelijk kan mijn maag dit verdragen. Met enige moeite lukt het
mij later op de avond nog wel om te helpen met het controleren en verschonen
van de vissen. Blij dat het weer achter de rug is, laat ik me om 23.30 uur
weer in het bed vallen.
Dinsdag 29 oktober
We verlaten hotel Taninul en vertrekken via Hwy 70 naar San Luis Potosi. In
de buurt van de stad Río Verde ligt de afslag naar Laguna Media Luna.
Langs een onverharde weg loopt een kanaal vanuit Media Luna en hierin
zwemmen veel cichliden en enorme scholen molly’s. Na ongeveer een half
uur rijden bereiken we Media Luna.
10. + 11. Laguna Media Luna
Media Luna is een bronnensysteem met veel kanaaltjes en stroompjes.

Foto boven Ilyodon xantusi.

Sommige delen zijn dicht begroeid met allerlei waterplanten zoals waterlelies,
Bacopa sp. en Ludwigia sp. Het wordt veel voor toerisme gebruikt en ook
voor duikers is het een ideaal gebied. De bronnen zijn ongeveer vijftien meter
diep.
Op de dag dat wij er komen is het er rustig en we kunnen ongestoord
rondkijken. Deze plek is bekend vanwege het feit dat er een aantal soorten
endemisch is. Twee soorten die dit betreft zijn de Goodeïde Ataeniobius
toweri en de killi Cualec tessellatus. Ook wordt hier de molly P. latipunctata
aangetroffen. Deze soort is hier uitgezet, maar heeft zich goed weten te
handhaven tussen de aanwezige P. mexicana.
Op sommige ondiepe plaatsen zwommen enorme hoeveelheden vissen. Bij
een dammetje troffen we in het ondiepe water grote hoeveelheden aan, die
probeerden om tegen de stroom in omhoog te zwemmen. Het bleken
voornamelijk Astyanax en P. mexicana te zijn. De telkens weer tegen het
ondiepe stroompje in zwemmende visjes waren een leuk gezicht.


Foto boven Ataeniobus toweri man.
In de diepere gedeeltes tussen de planten vangen we de meer interessante
vissen. Zowel Cualec als Ataeniobius zijn hier eenvoudig te vangen. De
molly’s vangen we voornamelijk in het open water. De mannetjes van Cualec
hebben een donkere staart en in de minder begroeide gedeeltes is duidelijk te
zien dat ze een territorium boven de stenen hebben. De fraaie cichliden zitten
meer in de diepere delen vlak boven de bodem en zijn dus moeilijk te vangen.
Aangezien onze aandacht hier niet naar uit gaat, hebben we niet veel moeite
gedaan om ze te vangen. Nu ik thuis ben twijfel ik hier wel over, want vooral
de tamelijk klein blijvende “Cichlasoma” bartoni is een fraaie en opvallende
vis met een prachtige zwart-witte broedtekening. Volgens WILLEM HEIJNS
(Cichliden Jaarboek 1991) komt deze soort ook elders in het stroomgebied
van de Río Verde voor, maar bevindt de grootste populatie zich in Media
Luna. Deze populatie broedt het hele jaar door en doet dit ook in sneller
stromend water. Van de forsere “Cichlasoma” labridens bevindt zich een
geografische variant met een vergelijkbare broedtekening als “C”. bartoni,
alleen is de bovenste helft van het lichaam geel in plaats van wit is.
Aangetroffen soorten:
• A. toweri
• P. mexicana
• P. multipunctata
Foto boven kreeftjes die veelvulig voor komen in Mexico.
• Cichlasoma bartoni (Bean, 1892)
• Cichlasoma labridens (Pellegrin, 1903)
• Cualec tessellatus
• Astyanax
21º51’44.6” N
100º01’47.6” W
Hoogte 1.025 meter. PH 7,5, Temperatuur 30ºC Gh > 40
We overnachtten in San Luis Potosi in Hotel San Luis aan de snelweg. Het
hotel was prima, maar het restaurant wist ons hele gezelschap te verbazen
over de grote hoeveelheid vet die in het eten zat. De groentesoep bleek te
bestaan uit enkele rauwe halve aardappelen met grote stukken wortel in
warm water. Geen aanrader en het slechtste wat we tijdens onze hele reis in
Mexico voorgezet hebben gekregen. Hoewel ik mij al weer beter voelde en
eigenlijk wel trek had, was mij deze maaltijd toch te veel van het ‘goede’.
Woensdag 30 oktober
Vanuit San Luis Potosi naar Morelia.
12. Jesus Maria
Klein plaatsje dat via de afslag naar Los Reyes kan worden bereikt. In eerste
instantie waren we op zoek naar de plaats waar eerdere Xenotoca variata
was gevangen. Van deze fraaie populatie had ik in 2000 enkele vissen van
Omar gekregen en aangezien ik toen maar één vrouwtje had, leek het mij goed
om vers bloed te vangen. Volgens de bevolking was deze plaats nu echter
volkomen droog, maar was er aan de andere kant van het dorp wel een klein
stuwmeer (presa) waar water in stond. Het dorpje Jesus Maria is erg klein en
de hoofdweg is onverhard. Na door het dorp gereden te zijn vonden we het
stuwmeer, waar we vol enthousiasme begonnen met vissen. Het meer is voor
een groot deel begroeid met waterplanten en het vangen lukte het beste met de
handnetten. We vingen hier geen Xenotoca variata, maar wel enkele
exemplaren van Xenoophorus captivus. Tussen de planten vingen we enorm
veel waterinsecten. Vooral de enorme libellenlarven vielen op.
Aangetroffen soorten:
• Xenoophorus captivus (enkele)
• Astyanax (veel)
Foto`s Leo van der Meer.
Tekst Kees de Jong.

maandag, juli 21, 2008

Enige gedachten bij het voeren van levendbarende.

Enige gedachten bij het voeren van levendbarenden.

Foto boven: Allodontichtys tamazulae Turner 1946,

Dat het mogelijk is om vissen tegenwoordig gevarieerd te voeren, blijkt ook uit het vorige artikel van Wim Steinhoff. Het meeste voer is tegenwoordig eenvoudig te krijgen en het zelf vangen of kweken van voer is niet meer noodzakelijk. Er is volop variatie in droogvoer te koop en dit kan worden aangevuld met een grote diversiteit in diepvriesvoer. Dit is voor de meeste soorten meer dan voldoende. Op enkele voedselspecialisten, zoals het levendbarende snoekje (Belonesox belizanus) na, is mijn ervaring dat diepvriesvoer door alle soorten wordt gegeten.
Jarenlang heb ik mijn vissen altijd uitermate gevarieerd gevoerd met grote hoeveelheden hoogwaardig voedsel. Dit staat echter in schril contrast met de situatie in de natuur.


Foto boven: Poecilia caucana Steindacher 1880.


Een blik in een willekeurig watertje in het land van herkomst van de door ons in het aquarium gehouden vissen maakt duidelijk dat daar niet veel voer beschikbaar is. De vissen zijn in de natuur dan ook het grootste deel van hun tijd kwijt met het vinden van voedsel. Vooral de omnivore soorten, bijvoorbeeld zwaarddragers, molly’s en Ameca splendens, zijn de hele dag bezig met het afgrazen van stenen om voldoende binnen te krijgen. Hun relatief lange darmen zorgen er voor dat ze veel voedingsstoffen uit het beschikbare aanbod kunnen halen. Deze situatie is niet te vergelijken met de situatie in het aquarium. Hier wordt af en toe voer met een hoge voedingswaarde gegeven en daardoor heeft de vis in enkele minuten genoeg voedingsstoffen binnen.
De soorten die gespecialiseerd zijn in dierlijk voedsel hebben in de natuur ook meer tijd nodig om voldoende voedsel te krijgen. In het aquarium krijgen ze tijdens het voeren in een korte tijd veel meer voedingsstoffen binnen dan in de natuur.
Ook wordt de hoeveelheid voer in de natuur nog bepaald door de seizoenen. Het aanbod insecten en hun larven, maar ook kleine jonge visjes, is sterk seizoensgebonden. Onderzoek naar de darminhoud bij carnivore Goodeïden, met een kort darmstelsel, toonde aan dat deze vissen zich afhankelijk van het aanbod ook lange tijd met plantaardige kost tevreden stellen.
Ook de samenstelling van het voer in het aquarium en in de natuur is logischerwijs verschillend. Het door ons aangeboden voer komt in dezelfde samenstelling in de natuur niet voor.

Samenvattend is het zo dat er duidelijke verschillen zijn tussen het voedsel en de tijd die nodig is voldoende binnen te krijgen in de natuur en het aquarium.


Foto boven :Limia nigrofasciata Regan 1913
Het verschil tussen de voedingswijze in de natuur en het aquarium heeft gevolgen voor de vissen. In de eerste plaats zijn de vissen in de natuur veel meer tijd kwijt met het vinden van voldoende voedsel. Onderzoek van Kelly et al (2006) naar Ameca splendens toont aan dat in de natuur 70% van de tijd wordt besteed aan het vinden van voedsel en in het aquarium slechts 7%. Dit heeft invloed op het gedrag. Aquariumstammen van deze soort blijken agressiever dan de natuurlijke populaties.
Aquariumvissen zullen een voorkeur hebben voor hoogwaardig voedsel indien dit wordt aangeboden. Dit is voor hen de meest efficiënte manier om voedsel binnen te krijgen. Op de lange duur kan dit gevolgen hebben voor de soort in het aquarium. Mogelijk verdraagt de soort dit hoogwaardige voedsel niet op de lange termijn en is zij mogelijk niet in staat om zich over meerdere generaties in het aquarium te handhaven.
Het continue aanwezig zijn van hoogwaardig voedsel in het aquarium kan er ook toe leiden dat de voortplantingsperiode wordt verlengd. Indien er in de natuur onvoldoende voedsel is, wat vaak in combinatie met een lagere temperatuur voorkomt, zal de soort zich niet voortplanten. Door het ontbreken van deze rusperiode in de voortplanting komen de vissen minder tot rust en dit verkort hun levensduur.

Toen ik enkele weken geleden bij Latsy Nyari was, vertelde hij dat het extra voeren met allerlei vormen van hoogwaardig diepvriesvoer volgens hem helemaal niet nodig is. Af en toe wat extra’s is meer dan genoeg. Zijn ervaring is dat de basis prima uit vlokkenvoer kan bestaan.

Foto boven :Xiphophorus milleri Black, Rosen 1960


De laatste tijd probeer ik rekening te houden met bovenstaande punten bij het voeren van mijn volwassen vissen. Sommige soorten krijgen een langere periode minder hoogwaardig voer, zoals vlokken op plantaardige basis. Alleen soorten die ook na enkele dagen geen vlokkenvoer eten krijgen diepvries of levend voer. Dit voer ik dan wel minder. Iedere dag meerdere keren voeren lukt mij niet. Twee keer per dag is voor mij het maximaal haalbare. Ik probeer me wel aan te leren om het voer dan op verschillende plekken in het aquarium te strooien. Dan moeten de vissen er nog wel een eindje voor zwemmen. Gezien de lengte van een aquarium is dit mogelijk niet van invloed, maar het is in ieder geval beter dan altijd maar op dezelfde plek voeren.

Door bovenstaande wordt het voeren van levende watervlooien ook interessanter. Ik was hier de laatste jaren niet zo actief mee, omdat deze nauwelijks voedingswaarde bevatten. Dit hoeft dus eigenlijk niet zo’n probleem te zijn. De levende watervlooien zorgen er in ieder geval voor dat de vissen iets voor hun kostje moeten doen.


Foto boven: Neonheterandria elegans, Henn 1916.


Voor jonge vissen hanteer ik een andere aanpak. Deze krijgen bij mij de eerste maanden hoogwaardig voer zoals Artemianaupliën. Om goed te kunnen groeien is dit noodzakelijk. Verder is de relatieve darmlengte bij jonge vissen kleiner, waardoor ze minder voedingsstoffen uit laagwaardig voedsel kunnen halen.

Of bovenstaande op de lange termijn tot gezondere vissen in mijn aquarium weet ik nog niet. Dit laat zich moeilijk beoordelen. Ik ga het in ieder geval voorlopig eens vol houden en kijken wat de resultaten zijn.
Mochten andere leden andere ervaringen of beelden hebben, dan lees ik dit graag in een volgend nummer van Poecilia Nieuws.


Foto boven: Girardinus metallicus, Poey 1854

Literatuur:J.L. Kelley, A.E. Magurran & C. Macías García 2006. Captive breeding promotes aggression in an endangered Mexican fish.Biological Conservation (133):169-177
Tekst :Kees de Jong.
Foto`s: Leo van der Meer.

zondag, juni 29, 2008

Carlhubbsia Kidderi. (Hubs,1936).



Carlhubbsia kidderi. (Hubs,1936).









Synoniem:
Allophallus kidderi (hubbs,1936).
Aullophallus kidderi (Scrimshaw,1945).

Eerste beschrijving:
Hubbs,C.L. (1936):Fishes of the Yucatan Peninsula. Publ.
Canegie Inst. Washington,no.457.pp.157-287.





Naamgeving :
Dit genus heeft zijn naam te danken aan Carl Hubbs, die ze in 1936 beschreef als het genus Carlhubbsia.
De soort naam is afkomstig van Dr.Alfred v. Kidder, hierdoor is de naam kidderi afkomstig.

Verspreiding:
Carlhubbsia is afkomstig uit Midden Amerika en dan wel uit de volgende landen Guatemala en Mexico.
Carlhubbsia komt voor in Rio Champoton, 18 km van Campeche; Campeche;Rio Champoton,nahe Janateya-34 km aan de oost kant van Champoton; Campeche in Mexico.
In de rivieren waar ze in voor komen leven ze samen met de volgende levendbarende tandkarpers:
Poecilia sp.
Gambusia sexradiata.
Phalllichthys fairweateri.
Verder verschillende kleine zalmachtige en enkele Chiclides.

De ander vertegenwoordigers uit het genus Carlhubbsia:
Carlhubbsia bestaat uit twee leden te weten:
Carlhubbsia kidderi. (foto 1 ).
Carlhubbsia stuarti. (foto 2 )


Foto boven C.kidderi

Foto boven C.stuarti.


Uiterlijk:
Carlhubbsia heeft een aparte vorm voor een levendbarende tandkarper, het lichaam heeft iets weg van een schuine kubus, ik vind dit visje een beetje de vorm hebben van een schuine zoute drop, die wij vroeger als kind van onze ouders kregen. Op het lichaam heeft het mannetje 6 tot 12 verticale strepen, net achter de rugvin van het mannetje, heeft Carlhubbsia kidderi een zwarte verticale rug streep, deze streep verschilt erg per mannetje, sommige mannetjes hebben enkel een zwarte punt met een gele vlek, terwijl ander mannetjes echt een zwarte streep achter op de rug vin hebben zitten. Het gonopodium (piemel) van het mannetje is erg lang gerekt. De vrouwtjes zijn iets minder kleurrijk dan de mannetjes en missen de zwarte verticale strepen op het lichaam, ook wordt het vrouwtje iets groter dan de mannetjes. Het verschil tussen Carlhubbsia stuarti en Carlhubbsia kidderi zit hem vooral in het type van het visje, Carlhubbsia stuarti is wat hoger van bouw dan Carlhubbsia kidderi, ook lijken de zwarte verticale strepen duidelijker bij Carlhubbsia stuarti dan bij Carlhubbsia kidderi, verder is er weinig verschil te zien met het blote oog.


Grootte:
Het mannetje van Carlhubbsia kidderi wordt ongeveer 5 cm groot.
Het vrouwtje wordt net een cm groter dan het mannetje.


Verzorging:
Het beste is dit visje met zijn zeer schuwe karakter in een apart aquarium te zetten, in dit aquarium is het vereist om zeer veel fijn bladderige planten te hebben staan. Doordat ze nogal schuw van karakter zijn, hebben ze echt deze fijn bladderige planten nodig om zich tussen te kunnen verstoppen. Maar hebt u deze visjes in een mooie grootte groep zwemmen, is het echt een fantastisch gezicht om ze als groep te zien zwemmen. Dit visje houdt niet zo erg van een stroming, dus is een luchtsteentje al gauw genoeg in het aquarium, op de bodem kunt u gerust wat meervalletjes laten zwemmen, zodat het overtollige voedsel van de bodem wordt op gegeten. Carlhubbsia is een visje dat zich vooral ophoudt in de middelste laag van het aquarium. Het aquarium moet zeker 60 cm groot zijn, om van dit soort een mooi schooltje te kunnen laten zwemmen. Bij een temperatuur tussen de 24 en 26 graden Celsius voelen deze visjes zich het beste thuis.


Voeding:
Carlhubbsia kidderi is een echt alles eter en lust meerdere keren per dag zowel levend, diepvries als droog voedsel. Het beste om zo een groep in stand te houden, is om ze verschillende soorten voedsel in kleine porties enkele keren per dag te verstrekken.
Wel is verstandig om de visjes niet al te grote brokken voedsel aan te bieden, want ze hebben nu eenmaal niet al te grote bekjes. Uiteraard lusten de jongen hetzelfde voedsel als de ouders, maar om ze lekker te laten groeien is het verstandig om net uitgekomen pekel kreeftjes te verstrekken, verder al het andere klein levend voedsel is geschikt voor dit visje ( BV pantoffel diertjes).

Kweek:
Uiteraard is bij een goede verzorging, dit visje niet een erg moeilijke kostganger en zorgt al gauw voor een nestje jongen visjes. Een worp ligt meestal tussen de 30 a 50 jongen per keer, die na een goede verzorging snel hun volledige grootte bereiken en op hun beurt weer voor jongen zorgen, dus voor u het weet is u aquarium erg vol, zodat u andere mensen weer aan dit wat schuwe maar mooie visje kunt helpen.

Literatuur:
M.K.Meyer,L.Wischnath&W.Forster (1985).Lebengebarendee Zierffisch.Arten de Welt.Mergus.Melle.Duitsland R.R.Miller (2005):Freschwater Fisches of Mexico. The University of Chicago Press. Chicago,U.S.A. M.Kempkes&F.Schafer (1998): Lebengebarende der Weld- Morfelden-walldorf:a.C.S (aqualog)C.Schafer.

Met dank aan Johan van der Wind, voor het gebruiken voor de vissen die op de foto staan.


Tip kijk eens via internet naar http://www.vivani-fishfood.nl/ voor het beste en betaalbare visvoer.

Tekst : Leo van der Meer.
Foto`s :Leo van der Meer.

N.B foto`s en teksten mogen gebruikt worden mits er toestemming voor gevraagd is.
l.meermancaniello@upcmail.nl