maandag, mei 10, 2010

Limia tridens

Limia tridens (Hilgendorf, 1889)



Synoniemen
Poecilia domenicensis (Valenciennes (1846)
Poecilia tridens (Hilgendorf, (1889)
Limia tridens (Hilgendorf, (1889)

Nederlandse naam
Limia tridens

Beschrijving
Cuvier,M & M.A. Valenciennes (1846): Histoire naturelle des poisons. Paris, vol. 18, 505 pp.




Verspreiding
Midden- Amerika: Haïti en de Dominicaanse Republiek

Uiterlijk
Limia tridens is een tamelijk slanke soort die qua lichaamsbouw wel iets weg heeft van een guppy. Als je goed naar de zijkant van het lichaam kijkt hebben ze de, voor limia zo kenmerkende schitterende intensieve staalblauwe weerschijn. De zijden tonen al naar gelang hun gemoedstoestand meer of minder donkere dwars banden. Het vrouwtje is wat forser van bouw, en ook wat donkerder van lichaamskleur, als zij hoog zwanger is wordt zij erg rond van vorm. Het mannetje is over het algemeen wat ranker van bouw, heeft een zilverkleurige of goudgeelachtige kop, dit hangt een beetje af van zijn positie in de groep. Zijn staart is doorzichtig transparant of goudgeel dit hangt ook een beetje af van zijn positie in de groep.
Zijn rugvin is goudachtig geel met een donkere zwarte bovenrand.



Grootte
De Limia tridens mannetjes worden ongeveer 3 cm groot kleiner dan de vrouwtjes, deze kunnen wel 4,5 cm groot worden. De jongen zijn bij hun geboorte ongeveer 6 millimeter lang.

Temperatuur
De temperatuur is bij de Limia tridens echt van levensbelang, als u ze bij een te koude temperatuur houdt zullen uw mooie visjes vroegtijdig heen gaan. De beste temperatuur om dit mooie visje een lang leven te geven is een temperatuur tussen de 24 a 28 graden Celsius.

Verzorging
Limia tridens is een visje, dat zowel paarsgewijs, als in een mooie school gehouden kan worden. Hij is goed te houden in een gezelschapsaquarium, maar ook in een speciaal aquarium zal hij het goed doen. Hij vermeerderd zich erg gemakkelijk, waardoor een wat groter aquaria zeker is aan te raden. De temperatuur tussen 24 en 28 graden is bij dit visje van levensbelang.
Er wordt gezegd over dit visje dat je wat zee zout aan het water moet toevoegen, maar dit heb ik zelf echter nooit gedaan.
Het Amsterdams Ij burg water blijkt rond Ph 7,5 en Kh 8,5 te liggen, dit na nader onderzoek gedaan te hebben.

Limia Tridens houdt zich vooral op in de middelste waterlaag en verschuilt zich graag tussen de planten. Echter bij voedering en als zij zich op hun gemak voelen, zult u ze vaak genoeg voorbij zien zwemmen. De jongen van Limia tridens zwemmen na hun geboorte graag aan de oppervlakte, dus zorgt u er a.u.b voor dat u ook wat drijvende planten in uw aquarium heeft drijven.

Kweek
Het vrouwtje werpt iedere 28 dagen, uiteraard bij een goede verzorging, tussen de 15 a 50 jonge visjes, die bij hun geboorte ongeveer 6 mm groot zijn. De ouders zien de jongen visjes echt als een lekkernij, dus zorgt u er voor dat de jongen zich goed kunnen verschuilen voor hun ouders.
Uiteraard heb ik voor dit stuk ook erg veel resource gedaan, wat mij erg opgevallen is, dat er weinig of geen artikelen over dit mooie visje zijn verschenen. Mij viel wel op in de weinige artikelen, dat het vrouwtje ten hoogste 3 a 4 worpen heeft in haar leven, daarna wordt er geen jong meer uit het vrouwtje geboren. Hierover kan ik mee praten door de stam die ik onder mijn hoede heb. Na 4 keer werpen werd er ook bij mij, uit dit vrouwtje geen jongen meer geboren, terwijl de andere vrouwtjes ijverig door gingen met het werpen van hun kroost.
De geboren jongen zijn in ongeveer 4 maanden ook weer geslachtsrijp, uiteraard bij een goede en nette verzorging.



Voedsel
Dit toch wel drukke visje lust werkelijk alles wat hij tegen komt, zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Het is zeker van belang dat u de visjes gevarieerd voedsel aanbied, de jongen uiteraard ook wat kleiner voedsel, want na hun geboorte zijn het nog maar kleine hummeltjes met een heel klein bekje.

Tot slot
Ik heb dit visje nu al wat maanden onder mijn hoede, tot nu toe lukt mij het aardig om ze te kweken en in leven te houden. Het is naar mijn inzicht ook een visje, dat u redelijk tot gemakkelijk aan het kweken kunt krijgen.
Uiteraard bij een goede verzorging met een gevarieerd dieet, net als het mij gaat lukken de visjes een mooi en lang gelukkig leven te geven. Want hun mooie toch wel drukke manier van voortbestaan is echt een sierraad waar wij erg zuinig mee dienen om te gaan. Mocht u interesse hebben in dit mooie schitterende visje kunt altijd contact op nemen met de werkgroep Poecillia Nederland, uiteraard zullen deze mensen er erg veel aan doen om u verder te helpen.

Literatuur.
Fish base :Rosen, D.E (1967),`new Poeciliid Fisches from Guatemala,with Comments on the Orgings of Some South and Central American Froms`, American Museum Novitates 2303,blz.1-15.
Rosen, D.E (1979),`Revisionary Studies`, Bulletin of the American Museum of Natural History vol 162, blz 276-376
Viogt,W., Scolichthys greenwayi Rosen, 1967, ein kaum bekannter lebengebarender, DGLZ Rundschau 2/1994,blz.31-32


Tekst en foto`s Leo van der Meer

donderdag, april 15, 2010

Xiphophorus pygmeas

De mannetjes van Xiphophorus pygmaeus



Tijdens de bijeenkomst van Poecilia Nederland in mei 2009 werd er gesproken over de verschillende mannetjes die we bij de dwergzwaarddrager Xiphophorus pygmaeus aantreffen. Sommige leden houden een stam waarvan de mannetjes allemaal goudkleurig zijn, daarnaast werd er gesproken over stammen waarbij verschillende typen mannetjes voorkomen. Naast de gouden mannetjes komen ook blauwe mannetjes voor.

Dat er verschillende type mannetjes binnen één soort voorkomen, maakt X. pygmaeus niet uniek. Dit gegeven treffen we bij veel levendbarende tandkarpers aan. In de meeste gevallen gaat het om een verschil in grootte. Sommige mannetjes worden later geslachtsrijp dan andere en aangezien de groei stopt bij het geslachtsrijp worden, zijn deze laatrijpe mannetjes groter dan de sneller geslachtsrijpe vissen. Verder zijn er bij deze mannetjes geen verschillen.

Naast een verschil in grootte is er ook nog een verschil in vorm, kleur en tekening tussen de mannetjes van levendbarende tandkarpers mogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval bij Limia perugiae, waar naast mannetjes met fraaie kleuren en een hoge rugvin ook nog andere mannetjes voorkomen, die deze kenmerken helemaal missen. Er zijn ook nog twee tussenvormen, waarbij de kenmerken in mindere mate voorkomen.

De laatste jaren wordt er meer onderzoek gedaan naar de verschillende typen mannetjes en het evolutionaire voordeel dat samenhangt met de verschillen. Eén van de best onderzochte groepen is het genus Xiphophorus waartoe de zwaarddragers en de platy’s behoren. Vooral KALLMAN heeft veel onderzoek naar de genetica van de kenmerken in dit genus gedaan. In zijn artikel uit 1989 vat hij de resultaten van dit onderzoek samen en benoemt veel van de genen die de verschillen bepalen.
Dit doet hij ook voor de dwergzwaarddrager Xiphophorus pygmaeus. In de bijeenkomst werd er gesproken over blauwe en gouden mannetjes maar het blijkt dat er drie verschillende mannetjes moeten worden onderscheiden. Deze mannetjes geven hun specifieke kenmerken, die op het Y-chromosoom liggen, door aan hun zonen.
De volgende drie typen mannetjes met een specifieke lichaamskleur worden onderscheiden:
• Blauw lichaam.
• Blauw lichaam met gele staartvin en
• Goudkleurig lichaam met een gele staartvin.
Volgens KINGSTON ET AL (2003) verschilt het aantal goudkleurige mannetjes per populatie. Het percentage met deze kleur ligt tussen de 13 en 25%. In de natuur is evenwicht ontstaan waarin alle mannetjes hun kenmerk door kunnen geven. De genen voor de gouden kleur liggen immers op het Y-chromosoom en worden alleen via de mannetjes doorgegeven.



KINGSTON ET AL (2003) onderzochten de voorkeur van de vrouwtjes voor de verschillende types, de interactie tussen de verschillende mannetjes en de relatie tussen uiterlijk en gedrag. Met vijf verschillende experimenten kregen de auteurs inzicht in deze aspecten. De belangrijkste resultaten van dit onderzoek waren dat gouden mannetjes agressiever naar blauwe mannetjes en vrouwtjes zijn. Ze jagen meer achter de vrouwtjes aan dan hun anders gekleurde concurrenten, waardoor ze vermoedelijk succesvoller zijn bij geforceerde paringen. Het agressievere gedrag kan ook een voordeel zijn bij het krijgen van voedsel.

De vrouwtjes hebben een voorkeur voor de blauwe mannetjes. Als de kleur van de mannetjes met behulp van licht anders werd gemaakt, bleef de voorkeur voor de blauwe mannetjes ten opzichte van de gouden bestaan. Het lijkt dan ook meer op een afkeur voor goud dan een voorkeur voor blauw. Wanneer in het experiment de invloed van zowel kleur als gedrag wordt uitgeschakeld, hebben de vrouwtjes geen voorkeur.

Het onderzoek toonde verder nog aan dat competitie bij de mannetjes pas plaatsvindt bij onderlinge afstanden van 10 cm. en kleiner. Bij afstanden groter dan 10cm reageren ze niet op elkaar.

In de natuur is er een evenwicht tussen de verschillende typen mannetjes ontstaan. De voorkeur van de vrouwtjes voor de grote blauwe mannetjes wordt mogelijk voor een deel gecompenseerd door de agressievere benadering door de gouden mannetjes.

In het aquarium is er veel minder ruimte dan in de natuur. De mannetjes zullen elkaar veel vaker tegenkomen en er zal meer agressie tussen twee exemplaren zijn. Hierdoor lijkt het gouden mannetje in het voordeel. Aangezien de kleur erfelijk is, is het vrij eenvoudig om in het aquarium een vast verervende stam van één type mannetje te kweken. Het houden van beide vormen in één aquarium zal continue aandacht vragen.



Literatuur:
K.D. KALLMAN 1989. Genetic control of size at maturity in Xiphophorus. In: Ecology and Evolution of Livebearing Fishes (Poeciliidae) (Ed. by G.K. MEFFE & F.S. SNELSON), pp. 163-184. Englewood Cliffs, New Jersey: Prentice Hall.
J.J. KINGSTON, G.G. ROSENTHAL & M.J. RYAN 2003. The role of sexual selection in maintaining a colour polymorphism in the pygmy swordtail, Xiphophorus pygmaeus. Animal Behaviour 65: 735-743.

Tekst: Kees de Jong
Foto`s:Leo van der Meer

maandag, maart 15, 2010

Brachyrhaphis roswithae

Brachyrhaphis roswithae MEYER & ETZEL, 1998



Etymologie:
Brachyrhaphis – Afgeleid van het Griekse ‘brachys, eia’ (kort) en ‘raphis’ (naald). Dit verwijst naar het korte gonopodium.
roswithae – genoemd naar de Duitse ROSWITHA ETZEL.

Uiterlijk:
Een slanke levendbarende tandkarper met de voor het genus Brachyrhaphis kenmerkende zwarte en geelwitte streep in de aarsvin. Het korte gonopodium van het mannetje valt door deze tekening erg op. De vrouwtjes hebben een kleine donkere drachtigheidsvlek. De ogen zijn blauw.
De bovenkant van het lichaam is grijsbruin, op de lichter gekleurde onderkant komt de blauwe kleur meer naar voren. Vooral bij de mannetjes is een bruine band over het lichaam zichtbaar. Hierdoor maken de mannetjes een donkerder indruk dan de vrouwtjes. Naast deze donkere band bevinden zich nog drie tot vijf uit roodbruine punten bestaande strepen op het lichaam.
In de staartwortel bevindt zich een donkere vlek. De kleine ronde rugvin heeft aan de basis een donkere band en is verder rood gekleurd. De staartvin is, afhankelijk van de stemming van de vissen, meer of minder rood gekleurd. De mannetjes worden ongeveer 4 cm lang, de vrouwtjes bereiken een lengte van 5 cm. In een enkel geval kan een oud vrouwtje een lengte van ruim 7 cm bereiken.



Verspreiding:
De soort is afkomstig uit Panama. De verspreiding is beperkt tot het gebied ten westen van de kanaalzone. De oostelijke en westelijke grens van dit gebied worden bepaald door de provincie Coclé (MEYER & ETZEL 1998). De soort wordt aangetroffen in helder stromend water. De bodem van deze stroompjes is zanderig met veel rolkeien. De jongen houden zich aan de ondiepe randen van de smalle stroompjes (maximale breedte van 2 m) op, terwijl de volwassen dieren in de sneller stromende delen met een waterstand tot 50 cm. voorkomen. Andere vissen die in hetzelfde biotoop worden gevonden zijn een molly (Poecilia sp.) en Rivulus frommi. Door de aanwezigheid van bomen bevinden grote delen van deze stroompjes zich in de schaduw.




De watertemperatuur ligt tussen de 21,2 en de 27,4°C. De pH-waarde ligt tussen de 5,5 en 7,1 en over het algemeen is er sprake van zacht water met een hardheid van minder dan 1ºdGH (ETZEL 2002). MACALLISTER heeft de soort gevangen bij een hardheid van 6,7°GH en blijkbaar komt de soort dus ook in minde zacht water voor.

Verzorging en kweek:
Over het algemeen hebben de soorten uit het genus Brachyrhaphis de naam dat ze agressief en niet eenvoudig te kweken zijn. De ervaringen met B. roswithae hebben duidelijk gemaakt dat de soort zich positief onderscheid van vele van zijn naaste verwanten. In tegenstelling tot de Brachyrhaphis-soorten met een bredere rugvin, zoals B. olomina, B. terrabensis en B. roseni, leeft B. roswithae in een school en zijn de vissen niet agressief naar soortgenoten of andere vissen en kan dan ook prima samen worden gehouden met andere soorten. Hierbij dien ik wel te vermelden dat ik geen ervaring heb met het samen houden met kweekvormen met lange vinnen, mogelijk dat de lange vinnen wel worden beschadigd.

Voor de soort is een tijdelijke daling van de watertemperatuur tot 18°C geen probleem en aangezien een maximale temperatuur van 28°C ook goed wordt verdragen, is het houden op de juiste temperatuur geen probleem. Hoewel het water van veel biotopen zacht is, kan de soort ook over langere tijd prima in middelhard water worden gehouden.



De kweek van deze Brachyrhaphis is eenvoudig. In de jaren dat ik de soort heb gehouden, heb ik nooit vrouwtjes apart hoeven te zetten. Er bleven altijd voldoende jongen over om mijn groep in stand te houden en andere liefhebbers van deze soort te voorzien. MACALLISTER geeft aan dat er elke vier tot vijf weken 20 tot 30 jongen worden geboren. Bij beplanting aan het wateroppervlak ontsnappen er altijd voldoende jongen aan de grotere vissen. De jongen vallen meteen op door hun blauwe ogen, de rode rugvin en de zwarte streep in de anaalvin. Ze zijn door deze kenmerken goed te onderscheiden van andere jonge vissen. De jongen dienen wel gericht te worden gevoerd, hun voer moet in de buurt van hun schuilplaats worden gegeven. Na ruim een week komen de jongen ook meer naar voren en eten met de grotere vissen mee. De volwassen vissen eten elke soort voer, maar hebben een voorkeur voor dierlijk voedsel dat ze van het wateroppervlak kunnen halen. Muggenlarven zijn hiervoor uitstekend geschikt. Vlokkenvoer wordt ook goed gegeten en kan als basis dienen.

De conclusie is dat B. roswithae een aantrekkelijke levendbarende tandkarper is, die niet veel bijzondere eisen aan de verzorging stelt. De soort houdt zich in de bovenste waterlaag op en kan dan ook prima samen worden gehouden met vissen die de onderste helft van het aquarium bewonen. Ik houd de soort al enkele jaren succesvol samen met een wildvorm van de groene zwaarddrager (Xiphophorus hellerii).

Opmerkingen:
MEYER & ETZEL (1998) beschrijven dat de balts van B. roswithae sterk afwijkt van andere nauw verwante soort. De balts lijkt meer op die Poecilia’s waarbij de mannetjes met hun bek de geslachtsopenening van de vrouwtjes aanraken. Dit gedrag wijkt sterk af van dat van de andere soorten in het genus Brachyrhaphis en is voor hun mede een reden om B. roswithae als aparte soort te beschouwen.




Literatuur:
V. ETZEL 2002. Brachyrhaphis roswithae MEYER & ETZEL, 1998 – Eine farbschöne Neueinführung aus Panama -. DGLZ-Rundschau (1): 29-38.
D. MACALLISTER. Brachyrhaphis roswithae [MEYER & ETZEL, 1998]. Livebearer News (2): 19-20.
M.K. MEYER & V. ETZEL 1998. Notes on the genus Brachyrhaphis REGAN, 1913, with the description of a new species from Panama (Pisces: Teleostei: Cyprinodontiformes: Poeciliidae). Senckenbergiana Biologica (2): 155-160.

Tekst: Kees de Jong
Foto: Leo van der Meer

woensdag, februari 03, 2010

Halfsnavelbekken (Hemiramphidae).

-------------------------------------------------------------------------------------

Foto boven: 2 halfsnavelbekken Dermogenus pussila.

De halfsnavelbekken vormen een familie van vissen uit de orde
Geepachtigen
.
(Beloniformes). Het kenmerkende aan deze groep vissen is dat de onderkaak in lengte vele malen langer is dan de bovenkaak. De vissen komen voor in tropische en subtropische zones in
de Atlantische, Indische en Grote Oceaan. Tot deze familie behoren twee onderfamilies Hemiramphinae en Zenarchopterinae. De voor aquarianen interessante vivipare en ovovivipare soorten behoren tot de Zenarchopterinae.


Foto boven: Stelletje Nomorhamphus liemi

In 2001 is ook een
“maagbroedende” Dermogenys beschreven. Naast de eenvoudige melding van dit fenomeen
kon ik geen recentere publicaties hierover vinden. Mogelijk is het een verkeerde waarneming geweest. De halfsnavelbekken zijn roofvissen en jagen op kleine vissen, insecten en dergelijke
aan het wateroppervlak. In het aquarium wordt diepvriesvoer ook gegeten. Sommigen nemen ook droogvoer maar het is de vraag of dit voedsel op de lange duur goed is voor deze vissen.


Foto boven: Dermogenus pussila.

De halfsnavelbekken zijn ingesteld om dierlijk voedsel en niet op plantaardig voer met vezels.
Het feit dat de soorten voedselspecialisten zijn, maakt dat ze extra
aandacht vragen. Soorten uit het geslacht Nomorhamphus, waarvan de
vrouwtjes afmetingen bereikten van circa 12 cm, aten bij mij zonder problemen volwassen wolfsspinnen en 6 cm lange duizendpoten. Naast het noodzakelijke dierlijk voedsel hebben de meeste halfsnavelbekken een groot aquarium met veel schuilmogelijkheden nodig.
Een ruim aquarium is niet alleen nodig in verband met de afmeting dat sommige soorten kunnen bereiken. Ook het feit dat sommige soorten een territorium vormen of stromend water nodig hebben, maakt extra ruimte noodzakelijk. Het gedrag dat ze tentoonspreiden bij het verdedigen van hun territorium maakt deze oppervlaktebewoners interessant.


Foto boven: 2 halfsnavelbekken Dermogenus pussila.

Het schrikachtige gedrag zorgt er voor dat deze snelle zwemmers plots weg kunnen schieten. Bij een te kleine behuizing botsen ze tegen de aquariumruiten aan, zodat hun breekbare bek kan beschadigen. Deze beschadiging kan gaan schimmelen, wat de vissen dan fataal wordt. De diverse soorten vragen verschillende watertemperatuur, variërend tussen de 18 en de 28°C.


Foto boven: Kop van Nomorhamphus liemi

De halfsnavelbekken zijn levendbarend en werpen volgroeide jongen. De kweek van een aantal soorten is niet al te moeilijk. Naast de soortafhankelijke voorwaarden ten aanzien van temperatuur en watersamenstelling is het belangrijkste dat de pasgeboren jongen aan
hun vraatzuchtige ouders kunnen ontsnappen. Ik heb goede ervaringen met Dermogenys en Nomorhamphus door vlak voor het werpen de moeder apart te zetten in een drijvend mandje met vele gaten, waar de jongen doorheen konden zwemmen. Dit mandje werd vervolgens vol met planten gedaan, zodat het vrouwtje zich nauwelijks kon bewegen.


Foto boven: vrouw Nomorhamphus liemi

Een sterke onderwaterpomp pompte water door het mandje heen en de jongen spoelden zo het onbevolkte aquarium in. Hierdoor bleven van elke worp veel jongen in leven.
De familie is volgens ITIS onderverdeeld in de onderfamilies
Hemiramphinae en Zenarchopterinae. Echter, op dit moment zijn er nog steeds discussies en
revisies gaande.


Foto boven: Koppel Nomorhamphus liemi.

Zenarchopterinae bevat de geslachten Tondanichthys, Zenarchopterus en de voor ons interessante geslachten Dermogenys, Hemirhamphodon en Nomorhamphus.
Alleen van de deze laatst genoemde geslachten zijn op dit moment erkende soorten aangegeven.
78 79
Nomorhamphus liemi
Familie Hemiramphidae
● Onderfamilie Hemiramphinae
● Onderfamilie Zenarchopterinae FOWLER, 1934
● Geslacht Dermogenys KUHL AND VAN HASSELT in VAN HASSELT, 1823 met de soorten:
▪ D. bispina MEISNER & COLLETTE, 1998
▪ D. brachynotopterus (BLEEKER, 1854)
▪ D. bruneiensis MEISNER, 2001


Foto boven: 2 stoeiende Dermogenus pussila.

▪ D. collettei (MEISNER,2001)
▪ D. montana (WEBER, 1894)
▪ D. orientalis (WEBER, 1894)
▪ D. palawanensis MEISNER, 2001
▪ D. pusilla KUHL & VAN HASSELT in VAN HASSELT, 1823
▪ D. robertsi MEISNER, 2001
▪ D. siamensis FOWLER, 1934
▪ D. sumatrana (BLEEKER, 1853)
▪ D. vogti BREMBACH, 1982


Foto boven: Dermogenus pussila.

● Geslacht Hemirhamphodon BLEEKER, 1866 met de soorten:
▪ H. chrysopunctatus BREMBACH, 1978
▪ H. kapuasensis COLLETTE in ANDERSON & COLLETTE, 1991
▪ H. kuekenthali. STEINDACHNER, 1901
▪ H. phaiosoma (BLEEKER, 1852)
▪ H. pogonognathus (BLEEKER, 1853)
▪ H. tengah COLLETTE in ANDERSON & COLLETTE, 1991
● Geslacht Nomorhamphus WEBER & DE BEAUFORT, 1922
met de soorten:
▪ N. australis BREMBACH, 1991
▪ N. bakeri (FOWLER & BEAN, 1922)
▪ N. brembachi VOGT, 1978
▪ N. celebensis WEBER & DE BEAUFORT, 1922
▪ N. ebrardtii (POPTA, 1912)
▪ N. hageni (POPTA, 1912)
▪ N. kolonodalensis MEISNER & LOUIE, 2000
▪ N. liemi VOGT, 1978

▪
Foto boven: een trio Nomorhamphus liemi.

. N. manifesta MEISNER, 2001
▪ N. megarrhamphus (BREMBACH, 1982)
▪ N. pectoralis (FOWLER, 1934)
▪ N. philippina (LADIGES, 1972)
▪ N. pinnimaculata MEISNER, 2001
▪ N. rossi MEISNER, 2001
▪ N. towoetii LADIGES, 1972
▪ N. vivipara (PETERS, 1865)
▪ N. weberi (BOULENGER, 1897)
● Overige geslachten zijn; Tondanichthys COLLETTE, 1995 en
Zenarchopterus GILL, 1864


Foto boven: koppel Nomorhamphus liemi.

Alles in zijn geheel overgenomen uit het Jubileum blad Poecilia Nederland.
Dit blad werd uitgegeven ten gelegenheid van het 25 jarige bestaan van deze werkgroep levendbarende tandkarpers. Uiteraard met toestemming redaktie.

Tekst: Bert Iepenga.
Foto's: Leo van der Meer.

zaterdag, oktober 03, 2009

Zoogoneticus purhepechus Domínguez Domínguez, Pérez-Rodríguez & Doadrio, 2008







Ecymologie:
Zoogoneticus – samentrekking van ‘zoe’ (levend wezen) en genes (de geborene). Dit verwijst naar het feit dat vissen uit dit genus levendbarend zijn.
Purhepechus – afgeleid van ‘purhepecha’, de naam van de oorspronkelijke bewoners van een deel van het gebied waar de soort voorkomt.




Uiterlijk:
Een hooggebouwde vis met een maximale lengte van 6 cm. De kleur is lichtbruin met grote donkere vlekken op de achterkant van het lichaam. De buikzijde is licht van kleur en bij de staartwortel bevind zich een donkere band. Tijdens de paartijd zijn de mannetjes donkerder van kleur en verdwijnt het vlekkenpatroon. Het lichaam van de mannetjes heeft dan een groen/blauwe glans en een aantal schubben is iriserend. De mannetjes hebben een gekleurde rand aan de anaal- en rugvin. Bij de vissen uit La Luz is deze intensief rood van kleur. Bij de vissen van andere locaties zijn de randen van deze vinnen oranje. Net als bij andere goodeïden zijn de mannetjes te herkennen aan de tot geslachtsorgaan vergroeide anaalvin. Hierbij zijn de voorste vinstralen van de anaalvin korter en vormen een lob die gebruikt wordt voor de sperma overdracht.

Z. purhepechus lijkt erg op de al lang bekende Z. quitzeoensis. De belangrijkste verschillen zijn: de vinstralen en de breedte van de rugvin en de donkere vlekken in de staartwortel. Daarnaast zijn er verschillen vast te stellen op basis van DNA-onderzoek. De soorten zijn niet gemakkelijk te onderscheiden en informatie over de vangplaats is hiervoor van groot belang.









Verspreiding:

Deze soort komt voor in het lagere deel van het Río Lerma stroomgebied, de bovenstroom van het Armeria, Santiago en Lerma stroomgebied en het Chapala meer. De typelocatie is het bronnensysteem La Luz. Deze bevindt zich ten zuiden van Zamora in de buurt van het dorpje Orandino. In het meertje van 1500 m2 groot is permanent water aanwezig. Vroeger stroomde het water uit deze bronnen naar de Ducro rivier, maar tegenwoordig wordt het water uit deze bron gebruikt voor irrigatie en als waterbron voor de locale bevolking. La Luz bevindt zich op 1.637 meter hoogte. De watertemperatuur was in november 2002 21ºC, Ph 8,5 en Gh 3. De luchttemperatuur kan teruglopen tot 10º, waarschijnlijk blijft het uit bronnen afkomstige water warmer. Het water is helder en de bodem bestaat uit rotsen en zand. De aanwezige waterplanten zijn Iris sp. en Ceratophyllum sp. Een deel van het water wordt bedekt door de geïntroduceerde waterhyacint. Aan de oever groeien lisdoddes en biezen. Samen met Zoogoneticus purhepechus leven de volgende goodeïden in La Luz: Alloophorus robustus, Chapalichthys encaustus, Goodea atripinnis en Skiffia multipunctata. Ook de levendbarende tandkarper Poeciliopsis infans en de lamprei Lampetra geminis zijn natuurlijke bewoners van deze biotoop. Net als op veel andere plaatsen in Mexico komen er ook hier geïntroduceerde soorten voor. Het zijn er veel: de molly Poecilia mexicana, de groene zwaarddrager Xiphophorus hellerii, de Afrikaanse cichlide Oreochromis spp., karpers Cyprinus carpio en de Chinese graskarper Ctenopharyngodon idella.

Hoewel Z. purhepechus een groot verspreidingsgebied heeft, is het aantal plaatsen waar de soort wordt aangetroffen in de laatste 5 jaar met 75% afgenomen. De meest voorkomende verstoringen in het oorspronkelijke verspreidingsgebied zijn de introductie van andere soorten, watervervuiling en uitdroging. De conclusie van Domínguez-Domínguez et al is dat de soort door de sterke afname van de verspreiding in de natuur als bedreigd beschouwd moet worden.

Verzorging en kweek:
Het houden en verzorgen van deze soort verschilt niet noemenswaardig van die van Z. quitzeoensis en Z. tequila. Het is een rustige vis die zich het meest tussen de planten ophoudt en niet veel zwemruimte nodig heeft. Een aquarium met een lengte van 50 cm is groot genoeg om een groepje van deze soort te houden. Tussen de vissen bestaat een rangorde die regelmatig wordt bestendigd, waarbij de zwakkere vis door een sterkere soortgenoot wordt verjaagd. Het verjagen van soortgenoten vindt de hele dag plaats en gebeurt zowel door mannetjes als vrouwtjes. Een schuilplaats voor de zwakkere dieren is noodzakelijk.
De soort stelt geen bijzondere eisen aan het voer. Alles wordt gegeten en droogvoer kan een groot onderdeel van het menu vormen. De watertemperatuur moet rond de 21ºC liggen. Een tijdelijke variatie in de temperatuur komt de dieren ten goede. Lagere temperaturen tot 14ºC vormen geen probleem, de vissen worden dan wel minder actief.
Een goede waterkwaliteit is wel van belang en het is aan te raden om wekelijks een deel van het water te verversen. De hoeveelheid water die door vers leidingwater moet worden vervangen is afhankelijk van de mate waarin het water is vervuild, maar moet minstens 50% bedragen. Voor het houden van de soort lijkt de watersamenstelling niet zo van belangt. Door diverse hobbyisten met ieder hun eigen watersamenstelling werd de soort zonder problemen gehouden.

Als aan bovenstaande eisen is voldaan, is de kweek van de soort probleemloos. Als de temperatuur rond de 21º ligt, is de soort het vruchtbaarst en worden de meeste jongen geboren. Ook in de natuur plant de soort zich gedurende het hele jaar voort. De tijd tussen twee worpen is 7 tot 9 weken. Afhankelijk van de grootte van het vrouwtje worden er 15 tot 45 jongen per worp geboren. Meestal zijn de jongen tussen de 9 en 12 mm groot. Jonge kleine vrouwtjes hebben bij hun eerste worp meestal minder jongen, die een lengte van 20 mm kunnen bereiken.
De tweede dag na de geboorte beginnen de jongen met eten. Als er voldoende schuilplaatsen zijn, zullen er in het aquarium altijd voldoende jongen overleven om voor uitbreiding van de groep te zorgen. Het is verstandig om voor de kleine jongen apart voer te geven, zodat ze geen competitie over het voedsel met de grotere vissen hoeven aan te gaan. Na enkele weken kan het geslacht van de mannetjes aan de hand van de vergroeide anaalvin worden vastgesteld. In gevangschap zijn de vissen na 8 tot 12 weken geslachtsrijp.

Opmerkingen:
Z. purhepechus is in 2002 door L. Couvreur en K. de Jong in Nederland ingevoerd. De toen ingevoerde vissen zijn afkomstig van de type locatie La Luz en samen met het holotype van de soort gevangen. Het is mogelijk dat een eerdere import onder de naam Z. quitzeoensis heeft plaatsgevonden.
Domínguez-Domínguez et al. schatten dat Z. quitzeoensis en Z. purhepechus tussen de 1 en 3,5 miljoen jaar geleden zijn geïsoleerd en zich in deze periode tot zich onderscheidende soorten hebben ontwikkeld.

Literatuur:
O. Domínguez Domínguez, R. Pérez Rodríguez & I. Doadria 2008. Morphological and genetic comparative analyses of populations of Zoogoneticus quitzeoensis (Cyprinodontiformes: Goodeidae) from central Mexico, with description of a new species. Revista Mexicana de Biodiversidad (79): 373-383
K. de Jong 2003. Op zoek naar zwaarddragers Mexico 2002 Deel 2. Poecilia Nieuws (5): 70-82

Tekst: Kees de Jong
Foto’s: Leo van der Meer

vrijdag, oktober 02, 2009

vrijdag, april 03, 2009

De Ervaringen van Janco de Jong met zijn Endlers.

De ervaringen in het bestellen, houden en kweken van de Endler.
Door Janco de Jong.

Foto boven: de bewuste foto Yellow Top Sword Endler.
Sinds 2006 woon ik samen met mijn vriendin, en staat er een mooi aquarium in onze woonkamer. In het begin zwommen hierin enkele leuke guppen. Maar gezien mijn voorkeur voor kleinere vissoorten, kwam ik al snel uit op Endlers. En onder andere via deze site` http://leo-aquarium.blogspot.com/ (kijk ook eens terug op mijn Blog Januarie 2007) en enkele fora over deze levendbarenden raakte ik helemaal verkocht. In juni 2006 heb ik daarom een groepje Yellow Top Sword Endlers opgehaald bij Robert Starmans, een prachtig gekleurd visje.


Foto boven: man Lime Green Endler.(janco de Jong).
Volledig gebiologeerd door ‘guppengenetica’ slibde onze woonkamer al snel vol met plastic bakjes, kommetjes en aquaria, met een grote verscheidenheid aan kruisingen tussen guppen en Endlers. Een hele leuke bezigheid, maar onder (lichte) dwang van mijn vriendin heb ik de hele boel verkocht, en besloten het bij twee aquaria te houden. Maar dan wilde ik wel een speciaal visje gaan houden.

In Maart 2008 las ik voor het eerst over de Lime Green Endler, een creatie van AdrianHD, gebaseerd op selectieve lijnkweek. Deze soort was op dat moment nog niet in Nederland, en ik besloot contact op te nemen met Adrian. In eerste instantie had hij de visjes niet op voorraad. Ik moest wachten tot augustus 2008, alvorens ik benaderd werd door Adrian dat ik boven aan de wachtlijst stond.

In september kreeg ik de bevestiging dat ze verscheept zouden worden. Normaal gesproken zouden ze binnen vijf werkdagen afgeleverd worden. Helaas zou het dit keer anders zijn!
Binnen twee dagen stond het pakketje op London Heathrow, waar ze volgens mij niks te zoeken hadden. Tot mijn grotere verbazing werd het pakketje doorgestuurd naar Kopenhagen. Ondertussen had ik al contact opgenomen met Adrian, die me geruststelde, wanneer de visjes niet levend zouden aankomen, zou hij tegen verzendkosten nieuwe vissen opsturen.
Spijtig genoeg arriveerde mijn pakketje vier weken te laat, en waren tien van de twaalf visjes overleden. Gelukkig waren de overlevenden twee vrouwen, al waren ze sterk vermagerd en verzwakt.
Een maand later werd een nieuw pakketje afgeleverd door TNT, dit keer op tijd. Helaas waren de weersomstandigheden eind oktober sterk verslechterd, en wederom waren er doden te betreuren. Een wijze les om geen tropische visjes te verschepen wanneer het kwik onder de 18 graden duikt.

Gelukkig hadden drie van de zes paartjes de tocht dit keer overleefd. Mn kweekgroepje settelde zich snel in mijn speciaal ingerichte Aqua40, en begonnen zich op rap tempo voort te planten.

Foto boven:Yellow Top Sword Endler.(Marco Hamerslag).

Twee mannetjes werden overgezet in mijn meterbak, samen met mijn oude kweekgroep YTS Endlers, die in de Aqua40 plaats hadden moeten maken voor de Limes.



Foto boven:volwassen koppel Lime Green Endler.(Janco de Jong).
Lime Endlers zijn net iets anders dan gewone Endlers, vanwege hun groene dekkleur. Zeker wanneer de mannetjes de vrouwtjes proberen te imponeren, vertonen de visjes een heldere lime-groene gloed, te vergelijken met het blauw van een Jap Blue gup.


Foto boven: een schitterende man Lime Green Endler.
Intussen is de groep behoorlijk gegroeid, en zijn er opmerkelijke verschillen te ontwaren onder de nakomelingen. De lime-green Endler vererft namelijk nog niet 100%. Al lijkt het merendeel van de mannen op de hier vertoonde foto’s, in mijn bakken zwemmen enkele prachtige varianten. Zo is de grootte van de blackbar Endler variabel, maar ook de hoeveelheid aan oranje vlekken op het lichaam (dit verschil is zelfs tussen de twee mannetjes op onderstaande foto te zien). Sommigen hebben een extra zwarte stop net onder hun bovenvinnetje, en een enkeling heeft een klein oranje bovenzwaardje. Gezien het gebrek aan capaciteit, probeer ik de visjes richting compleet groen te kweken, door selectief mannetjes bij mijn vrouwen te zetten. Ik hoop dat andere hobbyisten, die ik afgelopen tijd bij mij thuis heb mogen ontvangen, deze varianten wel tot bloei kunnen laten komen.

Foto Boven: twee volwassen mannen Lime Green Endler.
In mijn meterbak zwemmen een 50-tal Limes, samen met de achtergebleven YTS-vrouwen, en sinds kort enkele andere Endler varianten, met dank aan Leo! Ik ben zeer benieuwd hoe deze groep zich gaat ontwikkelen. En, ach, misschien komen er binnenkort wel weer nieuwe bakjes, kommetjes en aquariums om hier iets leuks mee te doen.

Foto boven: Janco de Jong, bij zijn zeer mooi ingerichten aquarium.
Tekst Janco de Jong.
Foto`s Leo van der Meer.
Mocht u nou ook eens u verhaal kwijt willen inclusief foto`s, stuur ze dan eens op naar mij.Uiteraard wil ik u ook de foto`s erbij leveren. Wie weet is het intresant genoeg om ook eens te plaatsen??

maandag, maart 02, 2009

Nog een stukje over het mooie visje Poeciliopsis gracilis.

Poeciliopsis gracilis

Het Poeciliopsis gracilis-complex en een nieuwe soort uit Costa Rica,.
Poeciliopsis santaelena Bussing 2008.




Het geven van de juiste namen aan de vissen lijkt erg op puzzelen. De stukjes van de puzzel worden door deskundigen regelmatig opnieuw geordend en gegroepeerd, waardoor een andere indeling ontstaat. De puzzelstukjes bestaan uit soorten die worden gerangschikt. Soms zijn er meerdere soorten beschreven waarvan op basis van de dan geldende inzichten wordt geconcludeerd dat het één soort is. De naam die als eerste aan de vis is gegeven, wordt dan als de geldige beschouwd en de latere beschrijvingen zijn dan een synoniem hiervan. Bij het opnieuw bekijken van de vissen blijkt een synoniem soms toch als een aparte soort te moeten worden gezien en wordt deze weer als geldige soort herbeschreven. Een synoniem wordt dan weer een geldige soortnaam en de puzzelstukjes zijn opnieuw gerangschikt.
Daarnaast wordt er soms ook een nieuw puzzelstukje in de vorm van een nieuwe soort gevonden en deze wordt dan aan de puzzel toegevoegd. Hierdoor wordt het inzicht telkens groter.
Bij het ordenen worden op elkaar lijkende soorten in een genus geplaatst. Een verdere ordening vindt plaats door nauw met elkaar verwante soorten in complex of soortgroep te ordenen. Dit complex krijgt dan de naam van de eerst beschreven soort in deze groep.


Ook in de natuur is niet alles volmaakt, kijk maar naar het mannetje.
Bovenstaande heeft zich de afgelopen periode ook voorgedaan in het genus Poeciliopsis. Een aantal synoniemen van Poeciliopsis gracilis (Heckel, 1848) wordt nu als zelfstandige soort gezien, een aantal soorten is in het naar deze soort genoemde complex geplaatst en er is een nieuwe soort beschreven. In dit artikel beschrijf ik deze veranderingen. Als basis heb ik een aantal artikelen genomen. De meningen van de diverse auteurs verschillen op enkele onderdelen, zodat het niet mogelijk is om het algemeen geldend beeld te geven. De verschillende beelden heb ik genoemd.


Foto boven: lijkt op P.gracilis maar is P.pleurospilus.
Voor liefhebbers van levendbarende tandkarpers is Poeciliopsis gracilis een bekende soort, want ze is de afgelopen jaren vaak ingevoerd en gehouden. Volgens de huidige inzichten hebben we vaak andere soorten onder de naam P. gracilis gehouden.

De soort heeft als belangrijkste kenmerk de zwarte vlekken op de zijkant van het lichaam en blijkt eenvoudig te houden en te kweken. Alle Poeciliopsis-soorten met zwarte vlekjes werden door ons P. gracilis genoemd en we gingen er van uit dat deze soort een groot verspreidingsgebied in Midden-Amerika heeft. In de beginjaren van Poecilia Nederland werd de soort veel gehouden. Nu komen we de soort veel minder in de aquaria tegen.



Jarenlang werd de in 1963 door Rosen & Bailey (1963) opgestelde indeling als de juiste indeling gezien. Zij beschouwden een aantal gevlekte Poeciliopsis-soorten als synoniemen van P. gracilis. De laatste jaren is er onderzoek naar de Poeciliopsis-soorten met de zwarte vlekken gedaan. Het resultaat hier van is dat er meer soorten erkend zijn. Een aantal is niet langer een synoniem van P. gracilis meer. Er is zelfs sprake van een P. gracilis-complex, waarin een aantal nauw verwante soorten zijn ondergebracht (Bussing 2008, Mateos et al. 2002).

Over welke soorten nu precies tot dit complex behoren, zijn de meningen verdeeld. Ook het aantal soorten is nog onderwerp van discussie. Sommige auteurs accepteren een vis als zelfstandige soort, terwijl anderen deze nog als synoniem beschouwen, omdat er in hun ogen niet genoeg redenen zijn om te spreken van een zelfstandige soort.

Hieronder noem ik de soorten die volgens de mij beschikbare informatie tot het P. gracilis-complex behoren. Voor meer informatie verwijs ik naar de genoemde literatuur.
Het gaat om de volgende soorten:
Poeciliopsis gracilis. Het verspreidingsgebied van deze soort beperkt zich tot de Atlantische kant van Mexico, van de staat Veracruz tot aan het Río Coatzacoalcos stroomgebeid in Oaxaca. De status van deze soort wordt door niemand betwist.
Poeciliopsis pleurospilus (Günther, 1866). Deze lijken qua uiterlijk erg op P. gracilis en zijn afkomstig van de Pacifische kust (Miller 2005). Mateos et al. waren niet op de hoogte van de aparte status van deze soort en sluiten zich aan bij Rosen & Bailey, die de soort als een synoniem van P. gracilis zien. P. pleurospilus heeft een groot verspreidingsgebied dat van zuidelijk Mexico tot aan Honduras, waarbij ze in Nicaragua aan zowel de Atlantische als Pacifische kant van het land voorkomt. Op het lichaam heeft deze soort een aantal vlekken. De vorm en tekening hiervan varieert per locatie.
Poeciliopsis catemaco (Miller, 1975). Deze soort heeft zich tussen de 0,75 en 1,5 miljoen jaar afgesplitst van P. gracilis (Mateos et al. 2002) en is hieraan nauw verwant. Komt alleen in het Catemaco-meer in de Mexicaanse staat Veracruz voor.
Poeciliopsis lutzi (Meek, 1904). Over deze soort zijn de meningen verdeeld. De soort is in 1986 door Meyer et al. uit de synonymiesering gehaald. In de Mergus Aquarien Atlas 4 (1995) is een foto zichtbaar van de soort. Mateos et al. geven aan dat Meyer et al. geen argumentatie geven voor het als zelfstandig beschouwen van deze soort. Miller noemt deze soort niet. Bussing ziet het wel als een zelfstandige soort. Afkomstig uit de aan de Atlantische zijde van Mexico gelegen Río Quiotepec (Oaxaca).
Poeciliopsis hnilickai Meyer & Vogel, 1981. Volgens Mateos et al. behoort deze soort tot het P. gracilis-complex. De andere auteurs noemen deze soort niet als soort in dit complex. Afkomstig van de Atlantische kant uit de bovenloop van de Río Grijalva (Chiapas, Mexico en Huehuetenango, Guatemala).
Poeciliopsis sp. Miller noemt nog een soort die afwijkt van de hierboven genoemde soorten, maar die nog niet beschreven is. Deze soort is afkomstig uit het Río Verde stroomgebied in Oaxaca (Mexico).
Poeciliopsis letonai (Hildebrand, 1925). Afkomstig uit de Río San Miguel, San Miguel, El Salvador. Volgens Bussing moet deze vis als een zelfstandige soort worden gezien.
Poeciliopsis santaelena Bussing, 2008. De meest recent beschreven soort in dit complex, wordt alleen gevonden in de Río Potrero Grande op het in het noordwesten van Costa Rica gelegen schiereiland Santa Elena, waarnaar de vis is genoemd. De soort heeft geen vlekken of enige andere tekening op het lichaam. De bovenkant van het lichaam is grijs, de buikzijde is lichter. De vinnen zijn vrijwel kleurloos.


Met bovenstaande lijkt de het P. gracilis-complex beschreven, want op basis van de mij bekende literatuur zijn de verschillende visies bij elkaar gebracht. Zoals vaker blijkt alles niet zo eenvoudig. Bussing geeft aan dat de Heckel in 1848 niet een visje met zwarte vlekken op het lichaam beschreef, maar een vis met een donkere lengtestreep. Van vlekken was geen sprake. Ook de afbeelding bij de beschrijving van Heckel laat een andere vis zien dan de P. gracilis zoals we die heden ten dage kennen.

Tekst: Kees de Jong.
Foto`s: Leo van der Meer.
Foto`s op sterk water Poecilia archief.

Hartelijk dank voor al u medeleven,dit heeft mij erg goed gedaan!!!!!!!!!!!!
Met veel Trots kijk ik terug naar de jaren, die ik met mijn lieve vrouw Lucia mocht beleven.
Lucia heeft vaak de woorden gebruikt, "The show must go one", en zo is het ook!!!!!!!!!!!!!

zondag, februari 22, 2009

In Memoriam Lucia 06-12-1968 - 20-02-2009

Veel te vroeg heen gegaan !!!!!!
Mijn aller liefste vrouw Lucia mede oprichter van deze site is veel te vroeg heen gegaan.



Mocht u Leo van der Meer een Condolatie kaartje willen sturen is deze uiteraard erg welkom.

Leo van der Meer
Mata Harihof 1
1087 HS Amsterdam
Nederland.

donderdag, februari 19, 2009

Poeciliopsis gracilis (Heckel, 1848).

Poeciliopsis gracilis (Heckel, 1848)



Synoniemen:
Xiphophorus gracilis Heckel, 1848
Gambusia heckeli Bleeker, 1860
Hemixiphophorus gracilis Bleeker, 1892

Verspreidingsgebied:
Het verspreidingsgebied van Poeciliopsis gracilis beperkt zich tot de Atlantische kant van Mexico, van de staat Veracruz tot aan het Río Coatzacoalcos stroomgebeid in Oaxaca. In oude literatuur wordt voor deze soort vaak een veel groter gebied genoemd. Recent is het inzicht ontstaan dat in dit gebied meerdere soorten voorkomen en niet alle gevlekt Poeciliopsis-soorten P. gracilis dienen te heten (Miller 2005, Bussing 2008)


Kenmerken:
Een slank visje waarvan de vrouwtjes maximaal 6 cm groot worden. De mannetjes blijven twee centimeter kleiner. Kenmerkend voor deze soort zijn de zwarte vlekken op de zijkant van het lichaam. Het aantal onregelmatige vlekken verschilt per individu. Of de vlekken goed zichtbaar zijn, hangt af van de stemming van de visjes. Soms overheerst de metalen grondkleur. Beide geslachten hebben dezelfde tekening. De vrouwtjes hebben een wat vollere bouw en de mannetjes zijn te herkennen aan het lange gonopodium dat net als bij de andere soorten uit het genus Poeciliopsis tot aan de staartwortel komt.


Verzorging en kweek:
Deze levendbarende tandkarper is eenvoudig te houden en voor een gezelschapsaquarium geschikt. Het is een echte alleseter, zodat aan het voer geen bijzondere aandacht hoeft te worden geschonken. De watertemperatuur moet rond de 24°C liggen. Onderling zijn de vissen erg actief, als de mannetjes niet druk bezig zijn om concurrenten bij de vrouwtjes weg te jagen, doen ze bijna onvermoeibaar pogingen om een vrouwtje te bevruchten. De lengte van het gonopodium (= het tot een geslachtsorgaan omgevormde aarsvin, waarmee het mannetje sperma bij het vrouwtje inbrengt) stelt het mannetje in staat om de punt hiervan te zien en dit maakt het contact maken met de geslachtsopening van het vrouwtje eenvoudig ,zodat de medewerking van het vrouwtje aan de voortplanting minder van belang is. Net als alle andere soorten levendbarende tandkarpers waarvan het mannetje een lang gonopodium heeft, is er geen balts. P. gracilis laat andere aquariumbewoners met rust en kan dus prima met andere soorten worden samengehouden.

De voortplanting van deze soort roept af en toe wel vragen op. Soms wordt vermeld dat er met enige tussentijd enkele jongen worden geboren (Vente 1982) en dat er bij deze soort dus sprake is van superfoetatie. Andere auteurs vermelden dat het naast superfoetatie ook gebeurt dat alle jongen in één worp worden geboren (Stallknecht 1989, Lambert). Dit sluit aan bij mijn vroegere ervaringen. In veel gevallen en dan vooral bij jongere vrouwtjes zwemmen er af en toe enkele jongen in het aquarium, terwijl bij grote vrouwtjes er ineens een grote groep jongen in het aquarium zwemt. Naar dit aspect heb ik echter geen nauwkeurig onderzoek gedaan. Als het zo is dat bij één vrouwtje inderdaad zowel superfoetatie als het werpen van een groep jongen voorkomt, is dat zeer bijzonder. Mij zijn geen wetenschappelijk artikelen over het voorkomen van deze vorm van voortplanting binnen één soort of zelfs één vrouwtje bekend. Een verklaring zou kunnen zijn dat er de laatste jaren verschillende populaties door elkaar zijn gehouden, populaties die nu zelfs als apart soorten worden gezien. Hierdoor kunnen een soort met en zonder superfoetatie in één aquarium zijn gehouden. Ook kunnen er hybriden geboren zijn, waarbij deze bijzonder voortplanting is ontstaan. Binnen het genus Poeciliopsis is het bekend dat sommige hybriden een afwijkende voortplanting hebben. Zo zijn er bij deze hybridisering vrouwtjes ontstaan die alleen vrouwelijke nakomelingen krijgen (Schultz 1989).

De ouders vormen geen bedreiging voor de pasgeboren vissen en het is heel goed mogelijk om deze soort in een school te kweken.


Opmerkingen:
Mateos et al. stellen dat een P. gracilis –complex is, waarin nog een aantal gespikkelde Poeciliopsis-soorten zijn ingedeeld. Vente geeft aan dat P. gracilis in 1913 voor het eerst in Europa is ingevoerd. De eerste informatie over het feit dat de soort in Nederland werd gehouden is afkomstig uit het begin van de tachtiger jaren van de vorige eeuw.
Bussing (2008) schrijft dat Heckel bij de beschrijving van P. gracilis een heel ander visje voor zich had. In plaats van een vis met zwarte vlekken gaat het in de beschrijving om eentje met een donkere lengestreep. Verder onderzoek moet duidelijk maken hoe dit precies zit.


Tekst: Kees de Jong
Foto`s: Leo van der Meer.


Literatuur:
W.A. Bussing 2008. A new species of poeciliid fish, Poeciliopsis santaelena, from Peninsula Santa Elena, Area de Conservación Guanacaste, Costa Rica. Rev. Biol. Trop. Vol. 56 (2): 829-838.
J. Heckel 1848. Eine neue Gattung von Poecilien mit rochenartigem Anklammerungs-Organe. Sitzber. K. Akad. Wiss. Wien (1): 289-303
K. de Jong 1988. Poeciliopsis gracilis. Poecilia Nieuws (1): 7-10
D. Lambert Poeciliopsis gracilis (Heckel, 1848). Viviparous (18): 0-
M. Mateos, O.I. Sanjur & R.C. Vrijenhoek 2002. Historical biogeography of the livebearing fish genus Poeciliopsis (Poeciliidae: Cyprinodontiformes). Evolution (5): 972-984.
R.R. Miller 2005. Freshwater fishes of Mexico. University of Chicago Press. Chicago. Illinois, USA.
J. Schultz 1989. Origins and relationships of unisexual Poeciliids. In: G. Meffe & F.F. Snelson (ed). Ecology and evolution of livebearing fishes (Poeciliidae). Prentice Hall – Englewood Cliffs, New Jersey
H. Stallknecht 1989. Lebendgebärende Zahnkarpfen. Neumann Verlag – Leipzig; RadebeulJ. Vente 1982. Onopvallend maar interessant, Poeciliopsis gracilis. Het Aquarium (7): 193-194